De waarheid uitgewist

H.A. Gomperts genoot een grote reputatie in de Nederlandse letteren, als criticus en vriend van Menno ter Braak. In een postuum uitgegeven manuscript blijkt hij zich juist voluit tegen Ter Braak te keren wegens diens antisemitisme, waar altijd omheengelezen is. Wat schuilt er achter Gomperts' hardvochtige afrekening met zijn vriend en voorbeeld?

Twee jaar geleden deze maand schreef ik Hans Gomperts een beleefde brief om hem te vragen of hij met me wilde praten over werk en leven van Renate Rubinstein, wier biografie ik aan het schrijven ben. Hij had haar al in 1948 leren kennen en was lang met haar bevriend gebleven, dus mocht ik zo schaamteloos zijn een beroep op hem te doen?

Dat er ook een antwoord op die vraag zou komen, kon ik me alleen niet helemaal voorstellen. Ik had Gomperts nooit ontmoet en vormde me geen afgerond idee van zijn persoon, maar op de een of andere manier was er iets aan zijn naam dat antwoord onwaarschijnlijk maakte. Gomperts, H.A. (1915 -). Het was een naam als uit een encyclopedie. Een grote reputatie, maar uit een verleden van waaruit geen brief meer wordt gepost.

Vrienden van Renate die ik dat vertelde, reageerden verontwaardigd of verwonderd, gottogot wat was ik jong! Gomperts! De man die voor de oorlog nog bevriend geweest was met Ter Braak en na de oorlog meer dan wie ook bijgedragen had aan de onaantastbare positie van Ter Braak als ijkpunt voor de jongeren in de literatuur. De man die een complete generatie schrijvers begeleid had met kritieken en essays. Die een complete generatie lezers had gevormd. Die van de literatuurkritiek een literaire vorm op zich gemaakt had, net als Ter Braak, dat zou een criticus als mij toch moeten aanspreken?

Maar als we het er nu zo over hadden, ja, er was toch ook iets vreemds gebeurd met Gomperts. Midden jaren zestig kreeg hij een professoraat in Leiden en sindsdien liet hij steeds minder van zich zien. Hij schreef steeds minder, publiceerde in elk geval minder, en toen hij in de vroege jaren tachtig met emeritaat ging trok hij zich nog verder terug. Tot in Zuid-Frankrijk helemaal, daar woonde hij sindsdien. Maar wat hij daar nu deed?

Zijn `grote verdwijnen', heeft Kees Fens het eens genoemd. Nog net niet met een hoofdletter G en V, maar met een mengsel van ontzag en geheimzinnigheid dat ik ook bij Renates vrienden proefde. Welbewust scheen Gomperts zich te hebben teruggetrokken uit zijn eigen kring, als God uit de Schepping als het ware, en misschien was dat wel waarom ik geen antwoord op mijn brief verwachtte. Ik vroeg hem naar een wereld waaruit hij zichzelf had gewist.

Toch kwam er antwoord. Aarzelend, maar niet onhartelijk, en in de laatste dagen van augustus 1998 reed ik door de heuvels bij Grimaud, een dorpje boven St-Tropez. Het rook er naar olijven, naaldhout, droge aarde, en ik stelde me er al op in straks aan te komen bij een schilderachtig boerderijtje, want hoe wonen Nederlanders in Zuid-Frankrijk anders?

Maar aan het einde van de oprijlaan verscheen iets mooiers. Wit, strak, laag. Een modernistische villa, één en al lijn en vlak, die als een wonderbaarlijk stukje wil tot ordening van de beschaving tussen willekeurig opgeschoten grove dennen lag. De zon stond hoog en lichtte alles haarscherp uit. Alsof je binnenstapte in een prent van David Hockney, dacht ik nog, en daar verscheen het echtpaar Gomperts in de deuropening.

En, vroeg ik even later, meer om iets te vragen dan om de vraag zelf. Waren ze al helemaal verfranst? Ze keken elkaar aan en Gomperts lachte. Ach, verfranst. De buren woonden vijfhonderd meter verderop, je zag ze weleens overvliegen als ze met de helikopter uit Monaco kwamen, waar ze ook een huis bezaten. Of je zag in elk geval hun personeel, dat kwam de honden brengen, want die zaten in Monaco te veel stil. Maar dat personeel, daar waren ze wel goed mee.

Er was iets aan die toon dat me onmiddellijk inpakte. Gomperts sprak zijn woorden uit alsof hij ze zelf eerst nog even wilde proeven. Weloverwogen, licht slepend, met de dictie van de vooroorlogse burgerij en met een hoogst wellevend soort reserve. Hij liet je de vrijheid zelf te kiezen of je wilde merken hoe ironisch hij wel was.

We praatten die dag veel over Renate, maar de conversatie waaierde naar alle kanten uit. Hij vroeg naar nieuwe Nederlandse schrijvers en vertelde over schrijvers met wie hij in Amsterdam veel omging. Hij bleek vol verhalen over het milieu waaruit hij zich een jaar of vijtien terug toch drastisch teruggetrokken had, en het drong tot me door dat hij daar helemaal niet zo veel afstand van genomen had als ik verwachtte. Ook al zat hij hier in Frankrijk, zijn gedachten waren veel bij Nederland.

Sterker nog, sinds zijn verhuizing bleek hij zich geheel gewijd te hebben aan een deel van zijn bestaan in Nederland, alsof de afstand hem juist weer op zijn betrokkenheid gewezen had. Hij bleek te werken aan een boek, een groot boek, dat iets pijnlijks bloot zou leggen wat hijzelf en eigenlijk heel Nederland had weggestopt, nu al zo'n vijftig jaar. Ja, zestig.

Het had te maken met Ter Braak.

In 1937 had hij als student in Propria Cures een verdediging van Ter Braak geschreven die de meester zo beviel dat hij er overdrukken van bestelde. Daarna hadden ze elkaar persoonlijk leren kennen. Hoe Ter Braak zich in die jaren tegen het nazisme en het antisemitisme keerde had hij daardoor van nabij gezien en zeer op prijs gesteld – hij was niet religieus joods opgevoed, maar voor de Neurenberger rassenwetten was hij joods. Hij merkte soms alleen iets wat hem liever was ontgaan. Die man die het zo voor de joden opnam, schreef intussen zelf zo eigenaardig over joden.

Het was bijvoorbeeld af te lezen aan `De joodse geest en de literatuur', uit de befaamde groepsbundel Anti-semitisme en jodendom van 1939. Daarin presenteert Ter Braak drie joodse schrijvers die hij groot vindt, Kafka, Benda en Sjestow – maar wel als uitzondering op de regel die naar zijn ervaring leert dat joodse schrijvers typisch `literaten' zijn, dat is te zeggen namaak-schrijvers van het tweede plan.

Die gedachte maakt Ter Braak nog niet per se antisemiet, gaf Gomperts toe, het `typisch joodse' van die schrijvers zou ook te verklaren zijn uit een reële maatschappelijke situatie. Maar details in het betoog, en meer nog in een vroege versie daarvan, `Rassen' uit 1934, lieten zien dat zijn verklaring voor een deel ook raciaal was. Al verweerde hij zich tegen het racisme van de nazi's, hij deed dat mede omdat wat hij noemt het `werkelijke rassenvraagstuk' door hun primitieve schema's aan het oog onttrokken raakte.

Dat vraagstuk, dat bestond dus voor Ter Braak, en de conclusie moest dus zijn dat de man zelf niet vrij was van het antisemitisme dat hij in de nazi's bestreed. Hij hield hardnekkig vast aan vooroordelen waar hij veel te intelligent voor was, te eerlijk ook, en nu was dus de vraag: waarom? Hoe kon die man dat bij zichzelf over het hoofd zien?

Ongemerkt was Gomperts ironie er nagenoeg bij ingeschoten. Hij leek oprecht onthutst, na al die jaren nog, en het ontging hem niet dat de beschuldigende vraag die hij Ter Braak voorhield ook terugsloeg op hemzelf. Hij had de man bewonderd. Hij had zich verwant gevoeld en had de waarheid daarom net zo min willen zien als Ter Braak zelf.

`Joden met antisemitische vrienden, ja, dat heb je', zei hij toen ik er naar vroeg. `Hoe komen antisemieten anders altijd aan die joden onder hun beste vrienden?'

Maar uiteindelijk ging het hem niet om hemzelf. Waar het om ging was dat de lezers van Ter Braak tot nog toe consequent over diens antisemitisme hadden heengelezen, doodgewoon misschien omdat het zo ondenkbaar leek. En waar het hem vooral om ging was dat dit type antisemitisme voor ontwikkelden veel vaker voorkwam. Du Perron, de Tachtigers, wat verder terug ook Nietzsche, Dostojewski en Voltaire – de jodenhaat zat onder de weldenkenden dieper dan wij willen weten.

Waar zijn vraag hem dus toe aangezet had, was een breder onderzoek naar dit onderbelichte type antisemitisme. Maar de vraag die daar helaas al gauw op volgde, was hoe je zo'n onderwerp van eeuwen in de vingers krijgt. Op een gegeven ogenblik had hij rond de achthonderd bladzijden geschreven, plus losse fragmenten en talloze notities, en hij werd er zelf niet meer wijs uit.

Sindsdien probeerde hij zich toch maar te beperken tot Ter Braak, terug naar de kern, en daar iets handzaams van te maken. Maar dat bevredigde hem ook weer niet. Er miste nu een psychologisch, filosofisch en historisch kader, en hij was daarom ten tweeden male opnieuw begonnen. Inderdaad, zo bleef je aan de gang, dat zag hij ook wel. Maar het onderwerp liet hem niet los, dus wat moest hij. Hij moest door.

Gomperts lachte dat zo'n beetje weg, ging over op iets amusanters, en zo gingen we ten slotte vrolijk uit elkaar. Ik moest nog maar eens langskomen, zei hij toen we op het tuinpad stonden, en het begon net tot me door te dringen dat ik dat ook graag zou doen, toen ik een week of twee daarna, nog in het buitenland, toevallig in een Nederlandse krant het bericht zag dat de letterkundige H.A. Gomperts (83) in zijn woonplaats in Zuid-Frankrijk overleden was.

Misschien is het wel door die losse draad waar dit verhaal aldus mee afliep dat ik daarna veel aan Gomperts en zijn boek ben blijven denken. Tien of vijftien jaar studeren, schrijven, weggooien, doorgaan, omgooien, alles uit betrokkenheid bij een milieu dat hij al zo ver achter zich gelaten had. Wat werd er in dat boek toch uitgevochten?

Bijna twee jaar later is daar nu iets van te lezen. Vorige week verscheen een keuze uit het manuscript in een zorgvuldige editie van Eep Franken en Herman Verhaar. De afgeronde hoofdstukken zijn op een rij gezet, vooraf gaat een proloog en aan het slot volgt een proloog die Gomperts zelf verworpen had maar die goed dienst kan doen als epiloog. In de verantwoording staat de geschiedenis van boek en uitgave en op het omslag staat een titel die door Gomperts zelf nog uitgekozen is. Een kern van waarheid – naar een uitspraak van Ter Braak dat in het antisemitisme `een kern van waarheid' schuilt.

Met dat citaat brengt Gomperts je meteen waar hij je hebben wil. Ter Braak, zegt hij ruwweg, bestreed een houding tegenover joden die hij in de `kern' toch voor juist hield. Hij bestreed wat hij beleed, met andere woorden, en bestreed dus eigenlijk iets in zichzelf. Hij was een rationele intellectueel die het antisemitische gedachtegoed tot op het bot ontleedde en onhoudbaar en onzindelijk verklaarde. Maar daaronder zat een ander, die een sterke aandrang had tot minachting, die medeleven hypocriet vond in een wereld die uiteindelijk geregeerd wordt door het recht van de sterkste, en die over joden daarom zo zijn bijgedachten had. Ter Braak was Dr Jekyll, maar ook Mr Hyde.

Gespletenheid – dat blijkt het cruciale thema van het boek te zijn, en Gomperts volgt het zelf helemaal terug in de geschiedenis, tot aan de wortels van de westerse beschaving. Hij stelt vast dat zelfs de God van de thora al een `gespletene was, genadig aan de ene kant, afgunstig aan de andere, en suggereert daarmee iets intrigerends dat hij verder overigens niet expliciet maakt: dat die tweespalt domweg hoort bij die beschaving, mogelijk zelfs bij de mens tout court. Het is de menselijke staat.

Als je Een kern van waarheid tot je door laat dringen, blijkt die stelling waar te zijn op een wel heel ironische manier – misschien wel meer dan Gomperts zelf besefte. Want gespleten, in dit boek, is ook hijzelf.

Je voelt het soms al aan de toon. Gomperts schrijft zoals hij sprak, bezonnen, helder, met het flegmatieke overwicht van iemand die de rede vertegenwoordigt. Maar daar komt bij tijden een heel andere toon overheen, die fel is en geërgerd, op het honende af. Ter Braak geeft een `volkomen misleidende voorstelling van zaken', volgt een `goochelaarslogica', hanteert `uitschuifbare betekenissen' en verzandt bij tijden ronduit in `geraaskal'.

Ook inhoudelijk merk je die tweespalt. Gomperts overtuigt als hij zegt dat Ter Braak soms met twee tongen over joden sprak en dan merkwaardige retorische manoeuvres maakte. Maar je ontkomt niet aan de indruk dat hij het wel erg zwaar aanzet. Al met al gaat het maar om een paar passages uit het hele oeuvre van Ter Braak, passages bovendien die door de naoorlogse overgevoeligheid voor alles waar het woordje joods bij staat iets aanstootgevends krijgen, maar die in de jaren dertig nog een wonder van verlichting waren.

Er zit met andere woorden iets hardvochtigs in dit boek. Dat een schrijver onvermijdelijk besmet wordt door de taal van zijn tijd en dus al gauw antisemitisch lijkt wanneer die tijd dat is, dat lijkt voor Gomperts geen verzachtende omstandigheid. Hij vangt Ter Braak op woorden, gunt hem nooit het voordeel van de twijfel, en je vraagt je op den duur af wat dat over hun verhouding zegt. Ter Braak was toch een vriend?

Maar misschien is dat na zestig jaar juist wel de vraag. `Ook bij nader inzien blijven die vriendschappelijke gevoelens bestaan', zegt Gomperts in de epiloog, `maar ik moet toch vaststellen dat er voor mij iets essentieels veranderd is, dat er een voorbehoud gekomen is dat ook mijn mening over [Ter Braaks] kwaliteiten is gaan aantasten.'

En dat klinkt nog als een understatement, als je de tweehonderd bladzijden gelezen hebt die aan die epiloog voorafgaan. Want daar wordt over die hele vriendschap niet één keer gesproken. Met geen woord, alsof de schrijver zelf vergeten is dat hij Ter Braak ooit heeft ontmoet. De man is ver buiten hemzelf geplaatst en het gevolg is dat het boek niet leest als een bespiegeling over een geestverwant, maar als een afrekening met een figuur op onbepaalde afstand. Gomperts is niet langer Dr Jekyll, hier spreekt Mr Hyde.

Die gespletenheid heeft een consequentie die me nu al een week niet meer wil loslaten. Doordat de vriendschap met Ter Braak niet wordt vermeld, blijft er meer onvermeld. Dat Gomperts voor de oorlog al opkeek van Ter Braaks terzijdes over joden, dat hij daar toen over zweeg, dat hij zichzelf dat is gaan aanrekenen en dat er aan de oorsprong van dit boek dus een levenslange innerlijke tweestrijd staat – je merkt er niets van. Het is een project dat zijn bestaansreden verzwijgt.

Dit boek, met andere woorden, werd geboren uit persoonlijke motieven die de schrijver mij klaarblijkelijk wel kon vertellen, maar die hij niet kon of wilde opschrijven. Hij heeft ze buiten zijn betoog gehouden, heeft zichzelf er als het ware uit gewist, en heeft daarmee een laatste stap gezet in de ontwikkeling die buitenstaanders sinds de jaren zeventig al zo bevreemdde. Hij is nu niet meer alleen verdwenen uit het dagelijkse leven, hij is zelfs verdwenen uit zijn werk. Hij heeft zichzelf gewist.

Hoe langer je daarover denkt, hoe raadselachtiger het wordt. De schrijver die ooit opkwam met een essay waarin hij Ter Braak verdedigde, verdwijnt op het moment dat hij een essay schrijft waarin hij Ter Braak aanvalt. Alsof er op de een of andere manier geen leven voor hem was buiten die oude held. Alsof hij er met een geheime draad aan vastzat, als de pop aan de speler die zijn ziel is. Toen hij de draad doorknipte, was de voorstelling voorbij. Maar wat was dan die draad?

Hij zegt daar zelf iets over in dat eerste stuk over Ter Braak uit 1937, afgedrukt in Jagen om te leven. De Ter Braak bij wie hij het meest hoort, zegt hij daar, is die van Politicus zonder partij. Dat is te zeggen, bij de man die elk geloof in objectieve waarheden laat varen omdat hij ze ziet als een schijnheilige vermomming van puur eigenbelang. De man die schrijft: `Ik twijfel niet langer aan de Waarheid of aan waarheden; de waarheid kan mij niet meer schelen.'

Dat is de man die hij ook zelf wil zijn, de nihilist die lachend uitkijkt op de chaos. Maar dat is niet de man die hij vervolgens werd. Al in De schok der herkenning plaatst hij een voorzichtige kanttekening bij die totale subjectiviteit, en in Een kern van waarheid zie je plotseling wat hem daaraan bezwaart. Het is die houding, legt hij daar uit, waardoor Ter Braak zijn antisemitisme niet meer kon bestrijden. Elke waarheid was zo goed als elke andere, dus ook die van de antisemiet. Hoe kon hij zich die nog ontzeggen?

Zo zie je Gomperts van een oneerbiedig nihilist veranderen in iemand die iets te verdedigen heeft. Zelf `een toevallig ontsnapte aan de sjoa', zoals hij in Een kern van waarheid zegt, is hij gaan zien dat aan de subjectiviteit een grens gesteld moet worden om de wereld draaiende te houden. Hij ontwikkelde zich van de literatuur naar de wetenschap, van essayist werd hij hoogleraar, hij sprak voortaan met de meer onthechte stem van de rede.

Maar de wereld deed intussen het tegendeel. Net in het midden van de jaren zestig, toen hij zijn hoogleraarschap aanvaardde, nam de grote viering van het hoogstpersoonlijke Ik een aanvang. Hij zag slordig denken, egocentrisch voelen, en begon zich te ergeren. Begon zich terug te trekken. En, stel ik me voor, begon vanaf de ijle hoogten van de rede aan een boek te denken tegen het verblinde subjectivisme.

Maar het schrijven van een boek – het zal geen toeval zijn dat hij precies vanaf dat midden van de jaren zestig bijna niet meer publiceerde. Schrijven hoorde bij de essayist die hij inmiddels niet meer was, een essayist die ooit geboren was uit een schok van herkenning na het lezen van nu juist Ter Braaks subjectivisme.

Zo moet hij in een catch 22 terechtgekomen zijn toen hij begon te schrijven aan Een kern van waarheid – een titel met een knipoog naar zijn eigen hoogst reële streven naar waarheid. Door zich tegen Ter Braak te keren, keerde hij zich tegen de Terbrakiaan die hij zelf was geweest en daarmee, erger, tegen de persoon in hem die het talent van de essayist bezat. Hij, gespletene, schreef tegen zijn eigen schrijverschap in.

Lees je Een kern van waarheid met die ogen terug, dan zie je waarom het niet te voltooien was, in tien of vijftien jaar en zelfs in honderd jaar niet. Hij moest een verhaal vertellen dat persoonlijk was, maar zijn persoon had hij niet ter beschikking. Hij moest naar de kern toe van zijn eigen waarheid, maar hij wiste, met zichzelf, de hele waarheid uit.

H.A. Gomperts: Een kern van waarheid.

Van Oorschot, 234 blz. ƒ35,-