De moderniteit te lijf

Er bestaat waarschijnlijk geen ijveriger persoon op aarde dan de voormalige non Karen Armstrong. Nadat zij uit het kloosterleven was gestapt, wijdde zij zich aan het schrijven van boeken over God en godsdienst. Die oogstten grote bewondering, omdat zij hele bibliotheken verslond, en daarvan vervolgens uitbundig gebruikmaakte voor het optekenen van haar inzichten.

Dat heeft zij ook nu gedaan in De Strijd om God – Een geschiedenis van het fundamentalisme. Alleen al de ondertitel verraadt dat Armstrong bepaald niet gebukt gaat onder een overmaat aan nederigheid; haar werk dient allesomvattend te zijn. Maar die opzet levert al meteen een groot probleem op. Want hét fundamentalisme bestaat niet; wél bestaan de meest uiteenlopende vormen van fundamentalisme, die zowel tijd- als cultuurgebonden zijn. Vandaar dat Armstrongs definiërende uitgangspositie niet juist is: `Fundamentalisme is een militante vroomheid in alle grote godsdiensten die niets moet hebben van democratie, pluralisme, religieuze tolerantie, vrede, vrijheid van meningsuiting of de scheiding van kerk en staat.'

Was het maar zo simpel. Er zijn immers fundamentalisten die wel degelijk naar vrede streven – mits natuurlijk op hun voorwaarden. En er zijn ook fundamentalisten die geen probleem hebben met de scheiding van kerk en staat – op voorwaarde dat zij hun gang kunnen gaan en door de staat met rust worden gelaten. Streng-christelijke ouders die hun kinderen niet tegen tbc willen laten inenten, zijn over het algemeen fundamentalisten die zich op de basisprincipes van hun religie beroepen. Maar zolang zij niet welbewust de ongelovigen in het gezicht hoesten, zijn zij niet uit op oorlog.

Hetzelfde geldt voor die ultra-vrome fabriekseigenaar in Saoedi-Arabië; hij had weliswaar een brandverzekering afgesloten op zijn fabriek aangezien hij die met een ander deelde, maar hij weigerde de uitkering te innen toen de fabriek in vlammen opging. Ook die man is waarschijnlijk een fundamentalist, maar geen bedreiging voor zijn wat minder godsvruchtige omgeving.

Het is dus onmogelijk om alle fundamentalismen over één kam te scheren. Eens temeer omdat ideologieën die niet op een religie gestoeld zijn, zoals het communisme en allerlei virulente nationalismen, dezelfde karaktereigenschappen vertonen als de door Armstrong vermelde `militante vroomheid in alle grote godsdiensten'. Hoewel hun boodschap niet-godsdienstig is, verkondigen ook zij de absolute waarheid, die zij, desnoods met geweld, zowel hun eigen samenleving als hun buren willen opleggen.

Worsteling

Wie zich door Armstrongs boek worstelt – en het is een worsteling, omdat ze zo ontzettend veel feiten en gedachten zonder enige adempauze aaneenrijgt – heeft wel op de meest uiteenlopende gebieden een grote hoeveelheid kennis verworven, maar blijft met de vraag zitten wat hij daarmee aanmoet. Die vraag dringt zich temeer op omdat haar credo (`Het fundamentalisme is een essentieel onderdeel van het moderne leven') slechts op één uitgangspunt berust: dat joodse, christelijke en moslim-fundamentalismen uitsluitend bedoeld zijn als een laatste verdediging tegen de moderniteit.

Daarom stelt zij dat alle fundamentalismen een bepaald patroon volgen. `Het zijn strijdbare vormen van spiritualiteit, die zijn opgekomen als een reactie op een vermeende crisis. (...) Om besmetting te vermijden trekken ze zich terug uit de hoofdstroom van het maatschappelijke leven en scheppen ze een tegencultuur, maar fundamentalisten zijn geen onpraktische dromers. Ze hebben zich het pragmatische rationalisme van het moderne leven eigen gemaakt en onder aanvoering van hun charismatische leiders schaven ze de `fundamenten' bij, om zo een ideologie te creëren die de gelovigen een actieprogramma verschaft. Uiteindelijk zetten ze de tegenaanval in, waarbij ze een steeds sceptischer wereld opnieuw proberen te heiligen.'

Dat is maar ten dele correct. Inderdaad maken veel fundamentalisten gebruik van alle strijdmiddelen (e-mail, fax, tv, motorfietsen, kalasjnikovs, op afstand bestuurde bommen etc.) die het pragmatische rationalisme van het moderne leven hun ter beschikking stelt. En ze kunnen ook zeer pragmatisch – `modern' zou Armstrong zeggen – hun meningen bijstellen als de nood aan de man komt. Maar andere – en soms ook diezelfde – fundamentalisten zijn wel degelijk dromers die geen rekening met de realiteit wensen te houden. Zie bijvoorbeeld de radicaal-islamitische Tsjetsjenen, die niet alleen hun eigen land, maar meteen ook het naburige Daghestan uit de klauwen van de ongelovige Russen probeerden te redden.

Het probleem van Karen Armstrong is dat ze niet alleen eindeloos doorborduurt op de door haar geïntroduceerde begrippen `hervorming' en `moderniteit', die ze onvoldoende concrete inhoud geeft, maar ook nog eens probeert om die begrippen met een enorme stoet voorbeelden bij haar lezers erin te rammen, teneinde haar socio-filosofische gelijk te halen.

Armstrong begint haar verhaal in 1492, toen Ferdinand en Isabella, koning en koningin van het verenigde Spanje, van hun land de eerste rationeel-moderne staat maakten. Zij waren, zoals Armstrong het vriendelijk noemt, `agressieve hervormers'. Zij stuurden Columbus op pad om naar imperialistische methode verre landen te ontdekken, te veroveren en te exploiteren. Bovendien besloten zij alle joden en moslims, die al eeuwen in Spanje woonden, te vervolgen en uit te wijzen. Die mochten kiezen: óf hun ketterij afzweren en zich laten dopen, óf in het openbaar levend verbrand worden. Deze zuiveringsoperatie van de Goddelijke Leer was in handen van de Inquisitie, die – als onderdeel van het moderniseringsproces, aldus nog steeds Armstrong – werd ingesteld om de ideologische eenheid in het verenigd koninkrijk te bewerkstelligen.

Op zich is het natuurlijk een prima schrijftechniek om lodderige lezers met dit soort boude uitspraken bij de les te houden. Maar Armstrong toont nergens aan waarin de toenmalige Gestapo van de rooms-katholieke kerk zo modern was. Ook elders poneert zij met grote stelligheid uiterst dubieuze historische `feiten', die zij niet kan waarmaken. Zoals: `De Osmaanse staat was in het begin van de zestiende eeuw duidelijk de modernste staat ter wereld. Hij was buitengewoon efficiënt voor zijn tijd, had een nieuwe stijl van bureaucratie ontwikkeld en stimuleerde het intellectuele leven.'

Hoezo de modernste staat ter wereld? Precies diezelfde typeringen kunnen worden gebruikt voor het China van die tijd, bestuurd door de keizers van de Ming-dynastie. Ook zij vestigden in het gigantische land een centraal bestuur (hoewel, precies zoals in het Osmaanse Rijk, eveneens met machtige leenheren). China leverde enorme prestaties op intellectueel en artistiek gebied, en kan zeker niet minder modern worden genoemd dan het Osmaanse Rijk.

Soms is Armstrong ook inconsistent. Zo beschrijft ze correct dat de catastrofe die de joden in Spanje overkwam, ertoe leidde dat velen van hen sceptici werden, alle geloof verloren, en daarmee de weg voor zich en hun omgeving effenden naar de moderniteit. Precies het omgekeerde gebeurde echter volgens de auteur na de catastrofe die de islamitische wereld in de dertiende eeuw trof bij de massaslachting en de vernietiging van haar cultuur door de Mongolen. Daardoor werd `het inherente conservatisme van de premoderne maatschappij natuurlijk versterkt. Men legde zich liever toe op het trage herstel van wat verloren was gegaan dan dat men streefde naar iets nieuws.' En dus werd de `poort van de idjtihad' (het rationeel beredeneren van de goddelijke wet) voor gesloten verklaard, waardoor de soennitische islam een langdurige periode van stagnatie binnentrad. Helaas legt ze niet uit waarom die twee catastrofes zulke totaal verschillende reacties veroorzaakten.

Haar stellingen werpen ook talloze vragen op, die zij evenmin beantwoordt. Zo schrijft Armstrong: `Als de westerse moderniteit het product is van de logos, dan paste de mythos bij de conservatieve geest van de premoderne wereld. Het mythologisch denken kijkt terug, niet vooruit. Het vestigt de aandacht op het heilige begin, op een oergebeurtenis of op de grondslagen van het menselijk leven. De mythe zoekt niet naar iets nieuws, maar richt zich op wat blijvend is.' Voortreffelijk uitgedrukt! Maar hoe moeten we dan de hardnekkige mythe van de `American dream' in de Amerikaanse samenleving beoordelen? Is die niet toekomstgericht?

Verzamelaar

De Strijd om God is even fascinerend als irritant. Fascinerend, omdat het de uittreksels bevat van geweldige verhalen, geschreven door eminente historici, die je anders niet zomaar tegenkomt. Irritant, omdat de lezer gebombardeerd wordt met de gedachten van een enorme stoet filosofen en mystici, die in uiterst kort bestek de revue passeren, en daarna ook nog eens en passant tegen elkaar worden afgezet. Een ander bezwaar tegen dit boek is dat het zich uitsluitend baseert op de werken van anderen, en nergens eigen onderzoek verraadt. Wat dat betreft, lijkt Armstrong nog het meest op een verzamelaar, die de door derden gepresenteerde ideeën en feiten bij elkaar raapt en daarvan één grote collectie maakt. Maar dat doet zij, zoals zoveel verzamelaars, zó snel en zó gretig, dat zij vaak niet erg nauwkeurig de door haar geraadpleegde bronnen reproduceert.

Zo heeft zij een tweeslachtig werk gefabriceerd. Enerzijds wilde zij aantonen dat de beleveniswereld van de mensen in vroegere tijden vrijwel geheel op de mythe was gebaseerd, terwijl de moderne tijd de logos, de rede, als richtsnoer van alle handelen heeft. Het verschil is van groot belang, omdat de mythe naar het verleden kijkt, de rede daarentegen zich op de toekomst richt.

Anderzijds wilde zij de symbiotische relatie aantonen tussen een agressief modernisme en een niet minder agressief fundamentalisme, die elkaar tot de dood toe bestrijden en alleen kortstondige bestanden met elkaar sluiten.

Haar pleidooi om met meer begrip en compassie kennis te nemen van beide stromingen (`soms moeten we de pijn en de inzichten van de tegenpartij proberen te begrijpen om te voorkomen dat het probleem escaleert') laat zien dat zij in wezen is die zij was: een non, die het beste voorheeft met God, de mensheid en haar verlossers.

Daarom is dit boek in elk geval een aanwinst voor alle leesclubs. De leden kunnen er veel van opsteken en er eindeloos over discussiëren.

Karen Armstrong: De Strijd om God. Een geschiedenis van het fundamentalisme. Vertaald uit het Engels door Carola Kloos, Albert Witteveen en Shirah Lachmann.

De Bezige Bij, 493 blz. ƒ59,90

Godsdienst