De lofprijzing Gods

De ontkerkelijking en het daarmee verdwijnen van traditionele begrafenisrituelen hebben een leegte achtergelaten die de laatste jaren in toenemende mate wordt ontdekt door de commercie. Naast een ruim assortiment aan al dan niet `eco'-lijkkisten, bieden begrafenisondernemers hun clientèle de laatste jaren volop alternatieven voor de standaardbegrafenis of crematie-met-koffie-en-cake-na, met als gevolg dat een ware wedloop is ontstaan in originaliteit: een strijkje, clowns, een gezellig feest na afloop of zelfs poppetjes die mee het graf in gaan.

Hoe bizar de resultaten soms ook zijn, de behoefte aan iets anders dan de steriele begrafeniscultuur van de afgelopen decennia is begrijpelijk, evenals het speuren naar bruikbare elementen uit rituelen in andere culturen. Ontdaan van hun religieuze context lijkt het echter niet waarschijnlijk dat zij meer dan een machteloze verwijzing naar een reeds lang verloren zingeving kunnen zijn. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor de goedbedoelde SIRE-campagne, die ons oproept niet weg te lopen voor rouwenden en hun verdriet. Maar de reden voor dat weglopen is angst, die voor een deel voortkomt juist uit het ontbreken van vaste rituelen, die een structuur bieden om de heftige emoties te kanaliseren en daardoor minder angstwekkend te maken. Dat geldt zeker voor het jodendom, met zijn in duizenden jaren gegroeide rituelen rond dood en rouwen. Een belangrijk element daarin is de vaste rouwperiode, die voor de eigen ouders een jaar duurt. De rouw begint heel streng: in de week na de begrafenis verricht de rouwende geen arbeid, studeert niet, hoeft zelf niet te koken: alle religieuze en praktische taken worden overgenomen door de gemeenschap. Zo hoeft de rouwende niet naar sjoel om te bidden: het minjan (quorum van tien volwassenen) komt naar het huis van de rouwende. Na die week, tot het einde van de eerste maand, wordt de rouw iets minder zwaar en daarna blijft de rouwende een jaar lang beschermd door regels, die hem bij voorbeeld vrijstellen van het deelnemen aan feestelijkheden.

Gedurende elf maanden zegt de rouwende kaddisj, vaak ten onrechte een `gebed voor de doden' genoemd: het is geen gebed en de tekst heeft niets met de dood te maken. Het is een geëxalteerde lofprijzing van God, die de rouwende helpt om in een periode van ondraaglijk verdriet zijn godsvertrouwen en zijn religieuze wereldbeeld te bewaren. Bij de niet-gelovige zal dit slechts spot of afschuw opwekken, voor de gelovige is het essentieel om met Job te beseffen dat het in dank aanvaarden van het goede in het leven onlosmakelijk verbonden is met het accepteren van de eindigheid ervan.

Leon Wieseltier, literair redacteur van het progressieve Amerikaanse tijdschrift The New Republic, besloot na het overlijden van zijn vader in 1996 om op orthodoxe wijze het traditionele rouwjaar in acht te nemen, met de bijbehorende verplichting om drie keer per dag naar sjoel te gaan om kaddisj te zeggen. Een ingrijpende beslissing, want hoewel orthodox opgevoed, had Wieseltier als volwassene zijn religie de rug toegekeerd.

Wieseltier hield in dat jaar een dagboek bij, waarin hij niet alleen verslag deed van zijn ervaringen in het minjan en zijn gevoelens na de dood van zijn vader, maar waarin hij ook opschreef wat hij las over betekenis en geschiedenis van het kaddisj, een extra verplichting die hij zich oplegde toen hij besefte vrijwel niets over het ritueel te weten.

Wieseltier stortte zich op eigen houtje op deze studie, een in het jodendom zeer ongebruikelijke manier van lernen, alleen al wegens de omvang van de rabbinale literatuur die in de loop van de afgelopen 2500 jaar is ontstaan en die bestaat uit lagen commentaren, die als jaarringen om de kern, Tora en Misjna (mondelinge leer), zijn gegroeid. Zonder een gids met een gedegen kennis van de joodse traditie, verdwaal je in dit oerwoud van commentaren op commentaren op commentaren. Wieseltier is geen uitzondering. Hij begint te lezen en volgt de bronverwijzingen die hem veel informatie opleveren, maar zonder enige structuur of context, waardoor hij nogal eens het gelezene verkeerd begrijpt. De nogal pedante aforismen (`de solipsist heeft voor zichzelf altijd gelijk'), die hij bij wijze van commentaar op zijn lectuur opschrijft, maken het er niet beter op. Hoewel de excursies naar Middeleeuwen en Oudheid door de specifieke invalshoek van het kaddisj zo nu en dan een interessant licht werpen op de joodse geschiedenis, leert de lezer vrijwel niets over regels en achtergronden van de huidige praktijk.

Obscurantisme

Het is geen toeval dat Wieseltier zo `onorthodox' (ondanks zijn trots op zijn orthodoxe achtergrond) te werk gaat. Hij benadrukt steeds weer dat hij niet religieus is; zijn relatie met het jodendom is nogal ambivalent. Aan de ene kant is hij een loyale zoon van overlevenden van de shoah, die zich heel bewust is van de kwetsbaarheid van een traditie die van ouders op kinderen wordt voorgeleefd; aan de andere kant is hij een seculiere intellectueel, die eigenlijk nogal neerkijkt op het (in zijn ogen) obscurantisme van de joodse traditie. Hij voelt zich eigenlijk alleen maar op zijn gemak als hij op een historische of antropologische manier naar zijn traditie kijkt. Op het moment dat het patina van de tijd niet verhult dat het jodendom voor velen nog steeds een uiterst actuele en `bruikbare' traditie is, raakt Wieseltier geïrriteerd: het was niet zijn bedoeling dat het zo dichtbij zou komen. De ironie is, dat aan het einde van het rouwjaar blijkt, dat het ritueel inderdaad zijn werk heeft gedaan.

In die zin is het verslag van het rouwjaar zélf de beste uitleg van wat het kaddisj is en wat het voor de rouwende doet. Wat het voor de ziel van de dode doet, is weer een andere vraag; Wieseltier besteedt veel ruimte aan het zoeken van antwoorden, zonder deze te kunnen accepteren. Maar de nuchtere opmerking van zijn rabbijn, dat het kaddisj er vooral is om de rouwenden te helpen, schuift hij geërgerd terzijde: hij wenst geen andere rechtvaardiging van zijn corvee dan het vervullen van zijn plicht ten opzichte van zijn vader.

Wieseltier is op zijn best als hij kleine observaties over de dagelijkse gang van zaken in sjoel noteert of als hij schrijft over zijn ouders, over zijn verdriet en zijn woede in het rouwjaar. Heel terloops vertelt hij de geschiedenis van zijn ouders die er in slaagden nog net voor het begin van de Tweede Wereldoorlog Galicië te ontvluchten, als enige leden van de familie. Zonder een spoor van zelfmedelijden laat Wieseltier zien hoe sterk hij gevormd is door de geschiedenis van zijn ouders. Daar is misschien ook het antwoord op de vraag naar het waarom (of beter: waardoor) van zijn ambivalentie te vinden: de naoorlogse generatie in de Verenigde Staten werd opgevoed met het idee dat de joodse traditie in stand gehouden moest worden om de nazi's niet alsnog een postume overwinning te bezorgen. Geen wonder dat met zo'n niet te torsen motivatie veel kinderen de inherente waarde van dat in stand houden ontging.

De Nederlandse uitgave irriteert niet alleen door een groot aantal vertaalfouten, die gedeeltelijk voortkomen uit kennelijke onwetendheid, maar ook door de incorrecte schrijfwijze van namen als Tora (fout gespeld nu eens als `thora', dan weer `torah') en Talmoed zonder hoofdletter.

Leon Wieseltier: Kaddisj. Uit het Engels vertaald door Tinke Davids. De Bezige Bij, 677 blz. ƒ79,50

Godsdienst