De aanlokkelijkste zonde

Is er geslachtsverkeer mogelijk in de hel? Rudy Kousbroek bespreekt zijn favoriete passage uit Dante's `Inferno'.

In de rangorde der meest becommentarieerde schrijvers komt Dante onmiddellijk na Vergilius: kilometers commentaar voor iedere regel die hij heeft geschreven. Die overvloed brengt Karel van het Reve in de herinnering, die zich afvroeg waarom je je zou verdiepen in boeken over Toergenjev als je ook Toergenjev zelf kon lezen.

Was het ook maar zo met Dante. Ik koos de passage uit de Inferno die ik bij de eerste kennismaking al meteen de mooiste vond; ik bedoel de passage over Francesca da Ramini en haar minnaar Paolo in de Vijfde Zang.

De reden dat deze geliefden zich in de hel bevinden is dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de aanlokkelijkste van alle zonden, het overspel. Francesca werd om politieke redenen uitgehuwelijkt aan Gianciotto, de mismaakte tweede zoon van Malatesta da Verrucchio, heer van Rimini, en na verloop van tijd ontstond er een relatie tussen haar en Gianciotto's jongere broer, Paolo. Op een kwade dag ontdekt Gianciotto zijn jonge vrouw en broer en flagrant délit d'adultère; hij doodt ze allebei en als gevolg daarvan komen ze in die tweede cirkel van de hel terecht, waar Dante en Vergilius ze voorbij zien dwarrelen als vogels, meegesleurd door een ijzige wind; dat is namelijk hun straf (ik citeer de vertaling van Frans van Dooren):

`Ik kwam op een plaats die van ieder licht verstoken was en die loeide zoals de zee tijdens een storm wanneer ze door tegenwinden wordt gebeukt. De helse orkaan, die nooit tot rust komt, sleurt de geesten daar met zich mee en beult hen af in tomeloze wervelingen (...) Ik begreep dat zij die tot een dergelijke foltering werden veroordeeld vleselijke zondaars waren, mensen die hun verstand onderwerpen aan hun begeerte.`

Dante vraagt aan Vergilius of hij zou mogen praten 'met die twee die daarginds samen door de lucht gaan en zo licht op de wind lijken te worden meegevoerd'. Dat mag en het blijken Francesca met haar minnaar Paolo te zijn, voor eeuwig aan elkaar verbonden; hoe, dat is niet duidelijk, maar waar het op neer komt is dat ze toch maar bij elkaar zijn, minnaar en minnares, en daar kan ik, hoe ik er ook over nadenk, niet zo'n vreselijke straf in zien. Het is mogelijk dat ik in die passage andere gevoelens projecteer dan de bedoeling is of was, maar dat moet maar zo blijven. Dat rondwaaien in de stormwind (het doet denken aan zeezeilen, iets dat sommige mensen voor hun plezier doen) lijkt mij als hellestraf ook al niet zo verschrikkelijk, vooral niet als je samen bent met je geliefde.

Ook wanneer Francesca uitlegt hoe zij in deze, door haar als `ons afschuwelijk lijden' beschreven toestand is terechtgekomen, roept dat bij mij eerder verlangen dan afschuw op: de prachtige passage beginnend met de driemaal herhaalde uitroep van het woord Liefde:

`Liefde, die een edel hart snel overmeestert, deed hem die hier bij mij is ontvlammen voor de schoonheid die mij werd ontnomen; en de manier waarop dat gebeurde grieft mij nog steeds. Liefde, die niet toestaat dat iemand die bemind wordt op zijn beurt niet bemint (Amor, ch'a nulla amato amar perdona) deed mij zo'n groot behagen in hem vinden dat hij mij, zoals gij ziet, zelfs nu nog niet verlaat. Liefde bracht ons tot een en dezelfde dood; de diepste hellekring wacht hem die ons het leven benam.'

Ik heb natuurlijk toch wel in die vele commentaren gelezen en gezocht naar antwoorden op de vragen die mij bij dit alles bestormen, maar de meeste worden zelfs niet gesteld. Bijvoorbeeld 'Zo'n groot behagen dat hij mij zelfs nu nog niet verlaat..' Kàn hij dat dan, denk ik dan, haar verlaten, is hij daar vrij om dat te doen? Betekent het niet gewoon dat hij zoveel van haar houdt dat het hem niet invalt haar te verlaten? Heeft het zelfs maar het vermogen om iets anders te betekenen? De hel, dat zou zijn van haar gescheiden te zijn. Zo lijkt het mij althans. Waar wel in alle commentaren de aandacht op wordt gevestigd, is dat hij de hele zang lang geen mond opendoet (nou ja, hij weent. Maar wat valt er eigenlijk te wenen?)

En dan is er Gianciotto, `hij die ons het leven benam': in mijn gevoel is hij eigenlijk de meest tragische figuur van het drama; niet alleen is hij onbetwijfelbaar schuldig, maar er is niemand die van hem houdt, er is nooit van hem gehouden; die liefde, `die niet toestaat dat iemand die bemind wordt op zijn beurt niet bemint', die gold blijkbaar niet voor hem en `de manier waarop het gebeurde' grieft haar nog steeds. Kortom hij was de bedrogene, onbemind en nog mismaakt op de koop toe, en voor hem is er geen genade; `hem wacht (want hij leeft nog) Caïna, de diepste hellekring' zoals Francesca nogal zakelijk constateert. Hoe kan zij er trouwens zo zeker van zijn dat dat Caïna zijn voorland is? Misschien krijgt hij nog berouw, en als dat oprecht is, wordt hem dan niet alles vergeven? Dat is een mogelijkheid die Paolo en Francesca, vermoord in staat van doodzonde, overigens onthouden wordt.

Heel raadselachtig is ook de passage die dan volgt – maar wel zo schitterend dat alle vragen erbij verstommen:

`Toen ik [Dante] begreep hoe ongelukkig die zielen waren, sloeg ik mijn ogen neer. En ik hield ze omlaag gericht tot de dichter [Vergilius] mij vroeg: `Waar denkt gij aan?' En toen ik antwoord gaf, verzuchtte ik: `Ach, hoeveel zoete gedachten, hoeveel verlangens brachten hen tot die smartelijke stap.' En vervolgens wendde ik me weer tot hen met deze woorden: `Francesca, uw kwellingen vervullen mij zozeer met droefheid en medelijden dat ze mij tot tranen toe roeren. Maar zeg me: waardoor en op welke wijze stond de liefde u toe dat gij in de tijd van de zoete verzuchtingen elkaars verborgen verlangens (i dubbiosi desiri) leerde kennen?'

En zij gaf mij ten antwoord: `Geen groter verdriet dan de herinnering aan geluk in tijden van ellende! Dat weet ook uw meester. Maar als gij zo graag het eerste begin van onze liefde wilt leren kennen, zal ik spreken als iemand die praat met tranen in zijn ogen. Op een dag lazen we voor ons plezier over Lancelot en de liefde die hem in het nauw dreef; we waren alleen en koesterden geen enkele argwaan. Meermalen gebeurde het tijdens het lezen dat onze ogen elkaar ontmoetten en wij verbleekten. Maar één punt was het tenslotte dat ons overwon. Toen wij lazen hoe die grote minnaar Ginevra's blijde gezicht vol vurige begeerte kuste, drukte deze, die nooit van mij gescheiden zal worden, zijn lippen op mijn mond terwijl hij beefde over heel zijn lichaam. Het boek en degene die het schreef bracht ons tot elkaar: die dag lazen wij niet verder.'

Die laatste regel (quel giorno più non vi leggemmo avante) is een van de mooiste die ooit zijn geschreven – en een van de meest evocatieve, vooral voor wie van lezen houdt, en speciaal van lezen met zijn tweeën: je denkt aan dat ademloos het blad omslaan en hoe ons dat niet wordt ontnomen, ver van de dagelijksheid vandaan. Klopt het dat Dante's opvattingen hier milder zijn dan die van de Schepper? In de commentaren wordt dat namelijk behandeld als een veel gemaakte vergissing. Is het onjuist om in Dante's woorden over Paolo en Francesca een heimelijke identificatie te vermoeden – en ook de suggestie dat het de gelieven minder spijt hun daden te hebben bedreven, dan deze daar in de winderige duisternis niet te kunnen voortzetten?

Of kan het misschien wel? Is er geslachtsverkeer in de hel? Hoe zijn Paolo en Francesca aan elkaar verbonden? Ziedaar een groot raadsel waar je niets over te weten komt.

Hoe ziet het hiernamaals er uit? De hemel, dat is tot in eeuwigheid moeten luisteren naar Harry Mulisch die zijn verzameld werk voorleest, afgewisseld met uitleg van dat werk door Arnold Heumakers. Dan maar liever de hel. Al rond mijn twaalfde schokte ik mijn opvoeders op het internaat in Indië door te zeggen dat ik liever baas was in de hel dan dienaar in de hemel. Voor die blasfemische uitspraak ben ik streng gestraft, maar van mening veranderd ben ik eigenlijk niet.

Wat ik echt troosteloos zou vinden, zo heb ik wel vaker geschreven, is mij ergens bevinden waar geen dieren zijn. Gelukkig zijn die er in de hel van Dante volop. Al meteen in de Eerste Zang maakt de dichter kennis met achtereenvolgens een lonza, een luipaard, die een vacht heeft bedekt met kleine vlekjes, de lieverd; daarna komt er een leeuw, en ten slotte nog een wolvin. Deze laatste verspert Dante de weg. Het is Vergilius die hem te hulp komt en vertelt dat dit beest zoveel overlast veroorzaakt, met de wonderlijke toevoeging: Molti son li animali a cui s'ammoglia, `zij paart met vele soorten dieren'. Daaruit volgt dat die zich ook in de hel moeten bevinden, gebrek aan dieren is er dus niet. Later, `na met nog meer dieren gepaard te hebben', zal deze wolvin de Veltro op haar weg vinden, de hazewind, en die zal haar overwinnen.

In de Zesde Zang maken we bovendien nog kennis met `Cerberus, een wreed en monsterachtig gedrocht, blaft als een hond uit drie kelen naar de mensen die daar worden ondergedompeld. Hij heeft bloeddoorlopen ogen, een vette zwarte baard, een enorme buik, en klauwen waarmee hij de geesten krabt, ontvelt en openrijt. Die ongelukkige zondaars janken door de onophoudelijke regen als honden: met de ene zijde van hun lichaam proberen ze de andere te beschutten, waarbij ze zich steeds opnieuw omwentelen. Toen die verachtelijke Cerberus ons opmerkte, sperde hij zijn drie muilen naar ons open en ontblootte zijn tanden, en er was op zijn lijf niets dat niet bewoog (non avea membro che tenesse fermo).'

Vergilius kalmeert hem door in elk der drie kelen een handvol slijk te werpen, een gebaar herinnerend aan de episode in de Aeneis waarin de Sybille dit zelfde ondier tot bedaren brengt met drie honingkoeken.

Verderop zijn er ook nog slangen, er is een centaur en een vuurspuwende draak en ik zwijg maar van de insecten. Al deze dieren zijn niet echt aardig en gezellig te noemen, maar we zijn dan ook in de hel. Het herinnert aan de vraag die mij als kind al bezighield, of goede dieren ook naar het paradijs en slechte naar de hel gaan. Over dit vraagstuk bestaat een cartoon van Gary Larsen: een hond die ligt te wachten voor de deur van de hel, tussen de veroordeelde mensen. Een daarvan zegt tegen een ander: `His story? Well, I dunno... I always assumed he was just a bad dog.'

Dit is een bekorte versie van een lezing die Rudy Kousbroek op 21 maart in Amsterdam hield voor de SLAA in de reeks `Over De Hel van Dante.'