Bouwen doe je met je voeten in de modder

Nederlanders zijn langer geworden, maar de plafonds in de nieuwbouw zijn lager. Niet al het nieuwe is goed, vinden Willem Jan Neutelings en Michiel Riedijk.

Als het aan de Rotterdamse architecten Willem Jan Neutelings (1959) en Michiel Riedijk (1964) ligt, wordt er minder gebouwd in Nederland. ,,Het is verstandiger om minder en beter te bouwen dan veel en slecht, zoals nu'', zegt Willem Jan Neutelings in de vergaderzaal van zijn kantoor, gevestigd in zo'n typisch wederopbouwgebouw in Rotterdam. ,,Veel van de woningen die nu overal in Nederland worden neergezet, voldoen over een jaar of dertig niet meer, technisch niet en functioneel niet. We leven in een van de rijkste landen ter wereld, maar we zijn niet in staat om behoorlijke woningen te maken. De afgelopen decennia zijn Nederlanders steeds langer geworden, maar de plafonds van de woningen zijn met dertig, veertig centimeter gedaald tot 2 meter 40. Daarom liggen vooroorlogse woningen zo goed in de markt. Ze hebben een kwaliteit waar nieuwbouwwoningen niet aan kunnen tippen.''

,,Woningen van nu zijn een soort massieve betonnen tunnels'', vult Michiel Riedijk aan. ,,Nog steeds gaat het in de Nederlandse woningbouw om kwantiteit, niet om kwaliteit. Het is alsof een stalinistisch plan een bepaalde hoeveelheid kubieke meters beton voorschrijft. Oude huizen, zelfs de arbeiderswoningen in de negentiende-eeuwse gordel, hebben royale maten waardoor ze voor van alles geschikt gemaakt kunnen worden. In zulke woningen kun je gemakkelijk een gat slaan in de houten vloer voor een trap en in de stenen muren kun je nieuwe leidingen leggen. Maar nieuwbouwwoningen zijn nauwelijks te wijzigen. Er is wat dit betreft niet veel veranderd: ook de woningen uit de wederopbouwtijd waren functioneel helemaal gedetermineerd en toegesneden op het gezin met twee kinderen, waarin moeder thuisbleef en het huishouden deed en vader ging werken. Nu gezinnen niet meer zo leven en we bovendien veel meer apparaten hebben, voldoen die woningen niet meer. Maar je kunt ze niet aanpassen en dus worden ze gesloopt. Hele wijken uit de jaren vijftig en zestig gaan nu tegen de vlakte.''

Zelf geven Neutelings en Riedijk het goede voorbeeld als het om minder bouwen gaat. Hun architectenbureau bestaat nu ruim tien jaar en heeft succes, maar ze slaan regelmatig opdrachten af. Ze beperken de omvang van hun bureau bewust tot een man en vrouw of vijftien en besteden veel van het technische werk uit. ,,Zo hoeven we niet een bedrijf van honderd man aan het werk te houden en kunnen we kritisch staan tegenover opdrachten'', zegt Riedijk.

Toch hebben Neutelings en Riedijk in het laatste decennium van de twintigste eeuw een behoorlijk en vooral opmerkelijk oeuvre tot stand gebracht. Hun woningen, kantoren, universiteitsgebouwen, brandweerkazernes, postkantoren en woontorens zijn steevast krachtige sculpturen, die soms vreemd of zelfs buitenaards aandoen. Niet zelden hebben hun gebouwen `sprekende' gevels. Zo wordt het Nederlands Audiovisueel Archief in Hilversum, waarvan de bouw binnenkort begint, gehuld in glasplaten waarop afbeeldingen uit het immense archief zijn gezeefdrukt. ,,Een doelpunt van Ruud van Nistelrooy bijvoorbeeld of Reinier Paping die in 1963 de Elfstedentocht wint'', zegt Riedijk. Het Minnaertgebouw, bedoeld als onderkomen voor drie exacte vakgroepen van de Universiteit van Utrecht, kreeg met zijn gevel van rood-bruin spuitbeton het aanzien van een gebouw uit Fred Flintstone's woonplaats Bedrock.

Wending

Achter de opmerkelijke façades gaan al even bijzondere interieurs schuil. Vaak lukt het Neutelings en Riedijk om aan hun opdrachten een verrassende wending te geven. Het Minnaertgebouw was bijvoorbeeld een gewone opdracht voor een universiteitsgebouw. De eisen aan de practicumlokalen, kantine, collegezalen en kantoren waren allemaal gedetailleerd omschreven en boden weinig ruimte voor de ontwerper. Maar Neutelings en Riedijk benutten het gegeven dat de wensen over vanzelfsprekende dingen als gangen, hallen en trappen – de circulatieruimte in architectenjargon – nauwelijks waren aangegeven. Al deze `onbestemde' onderdelen balden ze samen tot één grote ruimte. Zo kreeg het Minnaertgebouw op de eerste verdieping een opzienbarende, grotachtige hal, van waaruit bijna alle andere ruimtes kunnen worden bereikt.

Sinds september schrijven Neutelings en Riedijk ook artikelen in het architectuurtijdschrift Archis. Hun columns, waarvan het komende aprilnummer helaas de laatste bevat, zijn scherpe, prikkelende beschouwingen over actuele onderwerpen als duurzaam bouwen, welvende computerarchitectuur, stedenbouw, ornamenten en natuurlijk nieuwbouwwoningen.

,,Het was ons opgevallen dat er helemaal geen debat over de architectuur wordt gevoerd'', zegt Neutelings over de columns in Archis. ,,Architectuurkritiek is anders dan filmkritiek en literatuurkritiek, waar min of meer onafhankelijke recensenten hun oordeel vellen. Architectuurcritici en -bladen zijn voor hun materiaal afhankelijk van architecten en dus beperken ze zich meestal tot beschrijvingen of academische beschouwingen. Architecten zelf hebben het te druk om te schrijven en als ze het doen, gaat het over hun eigen werk of over Franse filosofen. Harde kritiek op gebouwen kom je tegen in de huis- aan huisbladen. In de vakpers heerst euforie, die nog eens extra wordt gevoed door de grote buitenlandse belangstelling en bewondering voor de Nederlandse architectuur. Alles is fantastisch en de ene prachtige publicatie na de andere verschijnt. Maar terwijl de architecten feestvieren en de vakpers jubelt, loopt de Nederlandse bevolking met een kater rond. Er bestaat een enorme kloof tussen het vakdebat en het publieksdebat over architectuur. Dat is iets waar je op zijn minst over na moet denken.''

Als oplossing voor de dichting van deze kloof wordt de laatste jaren het Wilde Wonen gepropageerd. Zien jullie iets in deze vorm van eigenbouw?

Neutelings: ,,Mensen hun eigen woning laten bouwen is allicht beter dan de centraal geleide woningproductie van nu. Voor zichzelf bouwt een mens geen slecht huis. Het schrikbeeld dat tegenstanders van het Wilde Wonen altijd oproepen, is de eindeloze huizenzee van Los Angeles. Maar eigenbouw is heel goed te verenigen met het bouwen in hoge dichtheden. Kijk maar naar België. Daar wordt ook de rijwoning volgens het principe van het Wilde Wonen gemaakt: dat zijn die woningen met die blinde muren waar je andere woningen tegenaan kunt zetten. En op heel aantrekkelijke plekken, bij een park bijvoorbeeld, verrijst op een kavel waar elders een vrijstaand huis staat, plotseling een appartementengebouw van zes of acht verdiepingen hoog.''

Riedijk: ,,Essentie van het Wilde Wonen is de vrije uitgifte van kavels. Zo is de grachtengordel van Amsterdam ontstaan. Wat we nu beschouwen als een geslaagd stuk stad, is het resultaat van 17de-eeuws Wild Wonen. De kavels langs de grachten werden vrij uitgegeven. De regels waren heel beperkt. De kaveldiepte en -breedte waren gegeven en je mocht twee kavels naast elkaar kopen, maar daar hield het wel zo'n beetje mee op. Vervolgens werden de kavels volgebouwd: op sommige stukken, zoals in de Gouden Bocht van de Herengracht, heel snel, op andere duurde het lang. Panden op de grachten zijn voortdurend vervangen door andere; een stad is nooit klaar. Nieuwbouwwijken kennen niet zo'n plan: stedenbouwkundige ontwerpen worden nu in één keer uitgevoerd en de huizen moeten voldoen aan `beeldkwaliteitplannen'. Alles ligt vast, er is geen ruimte voor veranderingen of uitzonderingen. En na 25 jaar stort de wijk in. Dat is vrij tragisch.''

Jullie werk lijkt een milde vorm van Las-Vegas-architectuur: de gevel staat los van het interieur.

Neutelings: ,,We gebruiken de gevel inderdaad op een Las-Vegasachtige manier. Maar dat komt niet doordat we Learning from Las Vegas van Robert Venturi [een van de hoofdwerken van het postmodernisme, BH] hebben gelezen.''

Riedijk: ,,Architectuur manifesteert zich dagelijks op straat. Dit betekent dat je als architect een andere verhouding hebt met het publiek dan wanneer je schilderijen ergens achter in een galerie hangen. Gevels van gebouwen zijn de achtergronden van de openbare ruimte. Het idee dat een gevel een uitdrukking moet zijn van het interieur en moet laten zien hoe het gebouw in elkaar zit, is een modernistische uitvinding uit het begin van de twintigste eeuw. Maar waarom zou het particuliere, het toevallige van een gebouw zich moeten uitdrukken in de openbare ruimte? Als je door een straat loopt, dan wil je toch helemaal niet weten wat er achter al die ramen gebeurt en waar nu precies de wc zit? Daarom vinden wij de Amsterdamse School zo aardig: architecten als Wijdeveld gaven hun woningblokken echte stedelijke, openbare wanden. Als je vindt dat er een scherpe scheiding bestaat tussen openbaar en privé, dan kom je bijna vanzelf uit bij een architectuur, waarbij de gevels onafhankelijk zijn van het interieur.''

Jullie proberen altijd een onverwachte wending aan een opdracht te geven. Slagen jullie daar in? Is dat bij bijvoorbeeld simpele woningbouw niet veel moeilijker dan bij een universiteitsgebouw?

Neutelings: ,,Al onze ontwerpen kennen een inventie. Ook bij woningen lukt het wel. Bij het Hollainhof bijvoorbeeld, sociale woningbouw in Gent, moest een terrein in het oude centrum worden bebouwd. Door een heel smalle beukmaat van 3 meter 80 voor de huizen te nemen in plaats van de gebruikelijke zes meter, konden we alle woningen op een lange rij kwijt en hoefden we niet het hele terrein te bebouwen. Zo vormden de woningen een soort begijnhof, met een groot, aantrekkelijk groen gebied in het midden.''

Een ander onderdeel van jullie ontwerpmethode is het gebruik van oude, bestaande typen, zoals het hofje in het Hollainhof. Hoe gaat dat in zijn werk?

Neutelings: ,,We hergebruiken nooit letterlijk oude oplossingen. Het is niet zo dat we het handboek opslaan, daar wat ingrediënten uit nemen en die aaneensmeden tot een gebouw. Dan zou het te veel een postmoderne pastiche worden en dat is een doodlopende weg. We gebruiken oude types veel meer als een begrip, als een soort beginsel dat richting kan geven aan een ontwerp. Meestal gaat het om klassieke parallellen. We zijn erg geïnteresseerd in oude gebouwen als Aztekentempels en Minoïsche paleizen. Bij ons ontwerp voor de Nederlandse ambassadeurswoning in Berlijn, die overigens niet gebouwd wordt, bleek het achttiende-eeuwse hôtel, zo'n herenhuis dat je wel in Parijs ziet, een heel bruikbaar beeld. Hoe de auto's door de woning moesten rijden, de bezoekers uitstappen en naar binnen gaan, hoe personeel ongezien van het ene vertrek in andere kan komen – al die dingen kun je gemakkelijker bedenken met zo'n hôtel in gedachten.''

Er zijn architecten die betogen dat de computers en nieuwe media de architectuur drastisch zullen veranderen. Ze pleiten voor een welvende of zelfs letterlijk bewegende architectuur. Jullie lijken de vernieuwing elders te zoeken.

Riedijk: ,,De computer heeft gevolgen voor de arbeidsdeling op een architectenbureau. Vroeger kende een architectenbureau een strikte hiërarchie van architect, chef de bureau, hoofd tekenkamer en eerste, tweede en derde tekenaars. Die computer heeft deze piramide veel platter gemaakt. Ook de communicatie met technische en andere adviseurs en met aannemers verloopt veel sneller en efficiënter. Vroeger ging een heel pak tekeningen naar de aannemer, nu alleen nog maar een floppy. Maar uiteindelijk blijft een gebouw iets dat in weer en wind en met je voeten in de modder moet worden gemaakt. Je kunt niet in een schone, overdekte fabriek gebouwtjes maken zoals je auto's maakt.''

Neutelings: ,,De gedachte dat de computer de architectuur drastisch zal veranderen, is heel vreemd. Een computer is niet meer dan een hulpmiddel. Ook iemand die de hele dag zit te internetten gaat op een gegeven moment naar bed en naar de wc. En mensen zijn nu eenmaal ongeveer 1 meter 80 hoog en 60 centimeter breed, dus is er weinig reden om een bed andere maten te geven dan 1 bij 2. Het zal in ieder geval niet zo zijn dat ons lichaam verdwijnt en een geplooid en gekronkeld bed ineens heel handig blijkt.

,,Veel dingen die we doen, doen we al eeuwen zo. Architectuur is een ongelooflijk oude professie. Als architect heb je te maken met goederen die niet toevallig onroerend heten, met permanentie, met zwaartekracht en al dat soort oude dingen. Natuurlijk kun je heel goed, zoals architecten in de jaren twintig deden, je gebouwen het uiterlijk van boten of vliegtuigen geven, maar dan houd je je niet bezig met de essentie van architectuur. Dat is louter stilisme, zoals de computerblobs van nu ook niet meer dan stilisme zijn.

,,Ons werk is een vreemde combinatie van hip, of als je per se wilt: avant-garde, en ouderwets. Ik vind dat een heel aantrekkelijke positie. Het vernieuwende van onze ontwerpen zit in de herbewerking van oude types. Een oud begijnhof nabouwen is de dood in de pot, maar bewerking geeft het ontwerp nieuwe kwaliteiten die het onmiskenbaar van deze tijd maken en het beroep verder helpen.''