Uitval door te hoge eisen aan leerling

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) zal te moeilijk blijken te zijn voor bijna de helft van de Amsterdamse leerlingen die voorheen voor het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) kozen.

Dat blijkt uit een onderzoek in opdracht van het bestuurlijk samenwerkingsverband van de vbo-scholen in Amsterdam naar het niveau van hun leerlingen op het vbo. Sinds dit schooljaar zijn vbo-scholen (eenderde van alle leerlingen) gefuseerd met mavo's (ook eenderde van alle leerlingen) tot het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Het vmbo leidt op voor een middelbare beroepsopleiding.

Met die fusie wilde het ministerie van Onderwijs het imago van het beroepsonderwijs verbeteren en de positie van de zwakste leerlingen versterken. In praktijk hebben nog lang niet alle scholen de fusie doorgevoerd.

Op het huidige vbo kunnen leerlingen op vier niveaus examen doen. Uit het onderzoek blijkt dat slechts vier procent het hoogste niveau haalt, de overgrote meerderheid volgt een van de twee laagste niveaus. Verder blijkt ook dat bijna de helft van de leerlingen op het vbo onder het niveau zit van het vmbo. De laagste vmbo-niveaus zijn nog te moeilijk voor een grote groep leerlingen, omdat ze te veel theorievakken bevatten, zegt de J.de Groot, voorzitter van het bestuurlijk samenwerkingsverband. ,,Dat geldt met name voor allochtone leerlingen met een taalachterstand, maar ook voor zwakke autochtone leerlingen.'' De Groot verwacht dat de situatie in andere grote steden hetzelfde zal zijn.

De uitvallers van het vmbo kunnen wel naar het praktijkonderwijs, voorheen onderwijs voor moeilijk lerende kinderen. ,,Dit onderwijs is voor die leerlingen juist weer te makkelijk'', zegt De Groot. ,,Het is voor kinderen met een laag IQ. De leerlingen die het in het vmbo net niet redden, hebben voldoende capaciteiten. Maar omdat ze kampen met een taalachterstand of opgroeien in een achterstandsmilieu, redden ze het niet.

De Groot pleit voor een `vijfde leerweg' binnen het vmbo. Die moet vooral uit praktijkvakken bestaan, zodat deze jongeren ,,toch gekwalificeerd op de arbeidsmarkt terechtkomen en niet met een uitkering thuis zitten''.