`Rijk heeft geen overzicht meer'

De vermogens van verzelfstandigde overheidsdiensten zijn de laatste jaren sterk toegenomen. Is dat wel nodig, zijn dat geen risicovolle beleggingen?

Het Kadaster had een eigen vermogen van 374 miljoen gulden, de politie van Amsterdam had 462 miljoen in de boeken staan en het Bureau Beheer Landbouwgronden 494 miljoen. De ziekenfondsen zagen hun gezamenlijke eigen vermogen vanaf 1995 in drie jaar tijd oplopen van 1,5 miljard naar 2,1 miljard gulden. De AVRO en de KRO hadden in 1997 respectievelijk 70 miljoen en 46 miljoen gulden aan langlopende beleggingen uitstaan.

Organisaties met een publieke taak beschikken in veel gevallen over tientallen miljoenen en soms over honderden miljoenen. Wat die instanties met dat geld doen, hoe ze het beleggen en of hier sprake is van grote risico's, is bij de rijksoverheid onbekend, zo constateert de Algemene Rekenkamer in het rapport Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk. Deze instanties hebben vaak ook inkomsten uit commerciële activiteiten, maar het komt nauwelijks voor dat zij onderscheid maken tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Daardoor kan niemand van buiten zien of er bij een instantie publiek geld weglekt naar de private sector.

Omdat er geen regels zijn over de omvang van het vermogen, wordt volgens de Rekenkamer onnodig veel geld opgepot. Maar ook daar waar wel afspraken bestaan over maximumreserves, bleek in de praktijk dat die maxima vaak werden overschreden. Zo oversteeg de reserve van het Kadaster in 1997 het vastgestelde bedrag aan reserve met 197 miljoen gulden.

Het is niet de eerste keer dat de Algemene Rekenkamer kritiek heeft op de manier waarop zelfstandige bestuursorganen (zbo's) zijn georganiseerd. In 1995 sprak de toenmalige president van de Rekenkamer H. Koning nog van een ,,wildgroei'' aan zbo's die steeds meer eigen beleid gingen maken. De overheid dreigde haar greep totaal te verliezen.

In januari van dit jaar constateerde de Rekenkamer dat de overheid nauwelijks weet of de instanties het publieke geld conform de wet uitgeven. Nu uit de Rekenkamer kritiek op de grote vermogensvorming, het risicovol beleggen van de instanties en het beperkte zicht dat ministeries hierop hebben. De Rekenkamer was al met het onderzoek begonnen toen afgelopen zomer de Ceteco-affaire begon, waarbij bleek dat de provincie Zuid-Holland zeer risicovol had gebankierd.

P. Zevenbergen, lid van het college van de Rekenkamer en verantwoordelijk voor het onderzoek: ,,De op afstand geplaatste instellingen zijn allemaal stiefkinderen en zo gedragen ze zich ook. Ze rapporteren minder aan het rijk. En bij de departementen is de aandacht voor de cijfers van deze organisaties ook kleiner.''

Regels voor het lenen, beleggen en uitlenen van geld zijn er nauwelijks, terwijl de instellingen dit steeds meer zijn gaan doen. In de onderzoeksperiode 1995-1997 namen de leningen toe van 5,8 tot 6,5 miljard en de beleggingen en de liquide middelen (het direct beschikbare kapitaal) stegen van 7,5 miljard naar 10 miljard. In totaal hadden de instanties 2,2 miljard aan derden en gelieerde organisaties uitgeleend. Volgens de Rekenkamer werd overwegend voorzichtig belegd. In 1997 was echter ten minste negen procent (439 miljoen) van de beleggingen risicovol belegd in aandelen.

Vooral de ziekenfondsen bleken risicovol te beleggen. Zo had VGZ in 1997 voor een waarde van 98 miljoen gulden aan aandelen, het Zilveren Kruis Rijnmond 101 miljoen en Het Groene Land 51 miljoen gulden. Maar ook andere organisaties belegden in aandelen, zoals de Universiteit van Twente (5,7 miljoen), van Nijmegen (6,4 miljoen), de Erasmus Universiteit (1 miljoen) en de Rijksuniversiteit Groningen (57.000 gulden). Ook de AVRO (14,6 miljoen), de NCRV (8,9 miljoen) en de KRO (4,6 miljoen) hadden geld in aandelen zitten.

Van de politiekorpsen was in 1997 de politie van Amsterdam de enige die aandelen in bezit had (14,2 miljoen). De Rekenkamer merkt hierbij op dat deze gegevens uit de jaarrekeningen komen maar dat die geen volledig beeld geven, omdat het momentopnames betreft.

Ook is de Rekenkamer ontevreden over het gebrekkige inzicht in de scheiding tussen publiek en privaat vermogen bij de instellingen. Weliswaar wordt vaak een onderscheid gemaakt naar herkomst van de gelden, maar het eigen vermogen an sich wordt in veel gevallen niet uitgesplitst. Het risico van weglekkend publiek geld naar private activiteiten is volgens de Rekenkamer niet ondenkbaar. Om hoeveel potentieel weggelekt geld het gaat, is onduidelijk.

Onderzoekscentrum TNO bijvoorbeeld doet veel onderzoek in opdracht van overheden, instellingen en ondernemingen. Deze opdrachten worden gefinancierd met zowel publieke als private gelden. Maar de laatste jaren houdt TNO zich meer en meer bezig met puur commerciële activiteiten. Daarbij wordt kennis die mede met overheidsgeld is opgebouwd, commercieel geëxploiteerd. Volgens TNO gaat het om `uitontwikkelde kennis' die niet meer bruikbaar is voor de publieke taak.

Ook de universiteiten gaan, noodgedwongen, steeds vaker samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven aan. In ruil voor financiële bijdragen aan onderzoeksprogramma's bieden de universiteiten hun onderzoekscapaciteit ook commercieel aan aan bedrijven.

De TU Delft bijvoorbeeld houdt op de balans slechts een gedeeltelijke scheiding aan van publiek en privaat. Van commercieel getinte activiteiten wordt niet bijgehouden welk deel privaat is verdiend.

De Rekenkamer vindt dat het kabinet regels moet ontwikkelen voor vermogensvorming. Ook bij toekomstige verzelfstandigingen zou hier veel meer aandacht aan moeten worden besteed. ,,De overheid heeft geen overzicht meer'', zegt S. Stuiveling, de president van de Rekenkamer. ,,Maar in het buitenland zijn ze stinkend jaloers, want daar is het er over het algemeen nog slechter mee gesteld.''