Regering moet Papoea's eindelijk terwille zijn

De dubieuze rol van Nederland bij de overdracht van de soevereiniteit van Nieuw Guinea moet worden opgehelderd, vindt

Eimert van Middelkoop.

Er is voor Nederland weinig reden om met trots en tevredenheid terug te zien op het proces van dekolonisatie van zijn voormalige koloniale gebieden. Dat geldt met betrekking tot Indonesië (1949) en Suriname (1975), maar eerst en vooral Irian Jaya, het voormalig Nederlands Nieuw Guinea.

Het optreden van de nieuwe Indonesische president Wahid heeft het mogelijk gemaakt voor het eerst in meer dan dertig jaar te reflecteren op de wijze waarop in 1969 de soevereiniteit van Irian Jaya door de Verenigde Naties werd overgedragen aan Indonesië. In zijn standaardwerk over het zelfbeschikkingsrecht Self-determination of peoples, a legal reappraisal velt Antonio Cassese (tot voor kort de president van het Joegoslavië–tribunaal) over deze soevereiniteitsoverdracht een zeer hard oordeel: een pseudo-keuze, een schertsvertoning en een `substantive betrayal of the principle of self-determination'.

Nu wisten de Papoea's dat al heel lang, maar ze beschikten nauwelijks over mogelijkheden om voor dit onrecht gehoor te vinden. Noch bij de Verenigde Naties, noch in Indonesië en evenzo nauwelijks in Nederland, waar men de schending van rechten waar ook ter wereld altijd goed wist aan te wijzen, maar zich in een schuldig zwijgen hulde als het de Papoea's betrof. Een interpellatie in de Tweede Kamer van mijn GPV-voorganger Jongeling op 27 november 1969, was het laatste moment waarop de Nederlandse regering zich moest verantwoorden voor haar rol in deze schertsvertoning. Nu lukt het gelukkig niet altijd om de fouten uit het verleden in ongerechtigheid ten onder te houden. Zo ook hier niet. President Wahid komt de eer toe dat hij de politieke status van de Papoea's opnieuw heeft geagendeerd. Vorig jaar beloofde hij over de politieke toekomst van dit bijzondere deel van de Indonesische republiek een politieke dialoog te willen voeren. En daarmee was in Irian Jaya definitief de politieke geest uit de fles van de zelfbeschikking.

Dirk Vlasblom deed in deze krant (29 februari en 3 maart) verslag van een eind februari in Jayapura gehouden zogenaamd Groot Papoea-beraad, de eerste ongestoorde bijeenkomst van Papoea-activisten in 38 jaar. In de slotverklaring van dit beraad wordt onomwonden gesproken over `de onwettige overdracht van de soevereiniteit van het volk' en wordt vervolgens verklaard ,,dat het onze wens is om te kiezen voor vrijheid en ons af te scheiden van de Indonesische Republiek'' en ook ,,dat we een dialoog en vreedzame en democratische wegen zullen nastreven om de wensen van de West-Papoea's te realiseren en om de instemming van de Indonesische regering te verkrijgen''. Het is zelfbewuste taal die aan politieke duidelijkheid niets te wensen overlaat.

Tegelijk is de verzuchting verstaanbaar van Papoealeider Tom Beanal in een interview op 3 maart met Dirk Vlasblom: ,,Het is een lastige klus. De verwachtingen van het volk bezorgen me hoofdpijn.'' Hoofdpijn hebben kennelijk inmiddels ook de Indonesische autoriteiten ter plaatse. Zo berichtte de Jakarta Post op 17 maart dat een negental Papoea-leiders is beschuldigd van samenzwering tegen de staat, onder meer wegens het houden van eerdergenoemd beraad. Een zodanige beschuldiging op dit moment moet hoogst ernstig genomen worden. Er lijkt weinig nodig om de spanningen tot gevaarlijke hoogte te laten groeien. Een doemscenario is een bloedige confrontatie van de overwegend christelijke Papoea's met de via transmigratieprojecten naar Irian Jaya geïmmigreerde Indonesiërs uit Java, Sumatra enz., die overwegend islamitisch zijn.

Wat kan Nederland doen? Allereerst in een zo vroeg mogelijk stadium, dus nu, alle mogelijke politieke aandacht geven aan de actuele ontwikkelingen aldaar. Het ligt voor de hand de Europese Unie daarbij te betrekken en terzake contacten te zoeken met de Verenigde Staten, waar in het Congres altijd aandacht is geweest voor de Papoea's. Minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken moet daarom bij president Wahid om opheldering vragen over de zware en politiek gevaarlijke beschuldigingen tegen de Papoea-leiders. Zonder zich bij voorbaat te stellen achter de actuele eisen van de Papoea's, mag ook van de Nederlandse regering gevraagd worden betrokkenheid te tonen bij de wijze waarop president Wahid inhoud gaat geven aan zijn belofte van een politieke dialoog. Die belofte mag geen vrijblijvende zijn.

Tegenover Dirk Vasblom zei Tom Beanal: ,,Ik denk dat de rol van Nederland kan zijn om uit de doeken te doen wat er nu echt gebeurd is in de jaren zestig.'' Het was daarom een goede beslissing van minister Van Aartsen eind vorig jaar om op een verzoek mijnerzijds een onafhankelijk historisch onderzoek te willen bevorderen naar de gebeurtenissen voor, tijdens en na de zogenaamde Act of Free Choice in 1969. Dat moet een onderzoek van internationale allure worden, waarin zo objectief mogelijk wordt beschreven hoe door onder meer de VN, Indonesië en Nederland zijn omgegaan met het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's. De waarheid mag pijnlijk zijn, haar nog verder verzwijgen is te beschouwen als het toevoegen van politiek leed. Het is verder een zaak van de Indonesische regering om in goed overleg met de Papoea's de weg naar de toekomst te vinden, daarbij nauwlettend gadegeslagen door de internationale gemeenschap, Nederland voorop.

Eimert van Middelkoop is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de GPV-fractie.