Pompjes voor de dorst

Een van de bezwaren van bergwandelingen is dat ze dorst verwekken. Angst dat er geen waterstromen zijn te vinden in geaccidenteerd terrein is vaak niet terecht, de vrees dat er bovenstrooms een dood beest in ligt is dat wel. Hoe weet je dat daar geen dingen zijn voorgevallen, of ingevallen, waardoor het benedenstrooms aanmaken en vervolgens leegdrinken van een kannetje limonade een snel einde kan maken aan het reisplezier? Een bezwaar van laaglandwandelingen is dat deze gevaren daar veel groter zijn, vooral in sterk verstedelijkte gebieden met tropische temperaturen en een lage gemiddelde levensverwachting. Maar ook een slok leidingwater uit een kraan in Seoul of Sevilla kan stoelgangversnellend werken.

Was dit alles maar bekend bij het grote, reizende publiek. ,,Het belang van het reinigen van water wordt onderschat'', zegt Arjan van der Wel, bedrijfsleider bij Bever Zwerfsport in Den Haag, naast een vitrine vol pompjes en filters. ,,Men deinst er voor terug om met een waterfilter op pad te gaan. Niet alleen in Afrika, ook in Zweden of de Alpen. Maar het is veiliger en je bent een stuk mobieler als je altijd ter plekke je eigen drinkwater kunt maken.''

De bekendste manier om kleine hoeveelheden water te zuiveren is om er iets aan toe te voegen, wat vreemd is als je er eigenlijk drab en/of ongedierte en/of chemicaliën uit wilt verwijderen. Van der Wel is daarom geen fel pleitbezorger van Hadex of Micropur druppels: ,,Ze zijn goed om veel bacteriën te doden in pomp- of leidingwater, maar bij oppervlaktewater heb je er weinig aan.'' Daarin kunnen zware metalen zitten (bijvoorbeeld uit landbouwgif), beestjes (cystes) met zo'n sterke beschermlaag dat alleen heel veel druppels helpen, terwijl droesem de Hadex of Micropur-aanvallen met gemak doorstaat. De meeste bacillen gaan wel dood, maar hun stoffelijke overschotjes komen gewoon in je thee, inclusief chloorsmaak.

Beter zijn daarom de pompjes, met één slang om in beek, meer of wastafel te hangen, en een andere die naar de te vullen waterfles leidt. In het binnenwerk van de pomp zit doorgaans een keramisch of membraanfilter met gaatjes van ongeveer één tienduizendste millimeter, half zo groot als een gemiddelde bacil. De membranen zijn te vervangen; van een verstopt keramisch filter schraap je een dun laagje met vuil en bacillen af waarna het weer wat vlotter pompt. Virussen van ondermeer het type Hepatitis A zwemmen helaas dwars door het filter, maar zijn uit te schakelen met een jodiumfilter – apart danwel ingebouwd in keramiek of membraan. Het bezwaar van jodiumwater, -thee en -soep laat zich weer bestrijden met een koolstoffilter, dat behalve de jodiumsmaak ook de zware metalen neutraliseert.

Het klinkt ingewikkeld, maar er bestaan slimme, handzame pompjes met alle combinaties van filters en veel variatie in capaciteit. Ingewikkeld blijft de vraag: wanneer welk filter? Een klaterende bergbeek is te zien, maar de virussen en bacillen die erin rondspartelen niet. Van der Wel: ,,In drukke delen van Afrika en Azië raad ik systemen aan die ook de virussen eruit halen, maar in de natuur in het Westen is de kans daarop vrijwel nihil.'' Hij beaamt dat volledige zekerheid niet bestaat.

Dan de maat: ga je een weekend op oerwoudwandelexcursie om de monotonie van je Thaise scuba dive-vakantie te onderbreken of ben je zendeling en van plan 50.000 liter te drinken alvorens het contact met de beschaving te herstellen? Laatstgenoemd scenario is mogelijk met één keramisch pocketfilter van een half kilo van het fabrikaat Katadyn (wel af en toe schoonschrapen), met de aantekening dat de snelheid één liter per minuut bedraagt zodat het bij elkaar ruim een maand pompen is. Verspreid over dertig jaar is dat natuurlijk wel te doen. Voor het eerste valt iets met een membraanfilter te overwegen: na 500 liter moet er een nieuw filter in, maar het gaat wel sneller en het weegt wat minder. Een eventueel koolstoffilter heeft een soortgelijke capaciteit, en ook de jodium raakt op. Kortom: wie jaren wegblijft houdt het op een keramisch systeem, wie relatief kort naar een vieswatergebied gaat neemt makkelijker een compleet filtreringssysteem mee. Daar komt bij dat jodium op de lange duur ongezond is en dat je op korte reizen geen tijd hebt om aan het plaatselijke water te wennen.

Koken werkt goed tegen bacillen, maar de bezwaren zijn groot. Het kost veel brandstof en tijd, en dan nog: sterf je van de dorst – heb je een pan gloeiend heet water. Alle koolzuur en zuurstof is eruit, dus het smaakt ook nog eens laf. Tijdens een week lopen in binnen Sulawesi haalde ik mijn water steeds bij de plaatselijke bevolking, en dat was vaak lauw en nog vaker warm. Het smaakte zo vies dat ik nu met terugwerkende kracht een waterfilter bij me gehad had willen hebben. Van der Wel heeft een alternatief voor het bekende koken van sneeuw bij kamperen bij vorst: ,,Als het niet te koud is en je gaat midden op de dag in de sneeuw springen, krijg je een waterplas. En dat water pomp je gewoon door een filter.''