Pioniers lachen in hun vuistje

Het aantal veilingen, galeries en handelaars beleeft hoogtijdagen. Kopen, kopen en nog eens kopen.

DE VERTICALE foto is zo groot als een smalle vrouwenhand. Een heel smalle hand, want we hebben het over 20,6 bij 4,4 centimeter. Er zijn alleen vier snaren van een cello te zien, aangeraakt door een strijkstok. En het spaarzame licht dat de snaren raakt, vertelt dat elke weerbarstige cello, mits deskundig en bezield betast, zich wel tot jubelen laat verleiden.

Op 5 april moet dit koffiekleurige papiertje bij Christie's in New York ongeveer 500.000 gulden opbrengen. Fotograaf André Kertész (1894-1985) wilde er in 1926 een van zijn vrienden een plezier mee doen. Dat men er bijna een eeuw later de prijs van een aardig rijtjeshuis voor neertelt, zou hem verbijsteren.

De fotografie is al een jaar of tien `booming'. Een neergang is niet in zicht. De prijzen voor vele, gerenommeerde 19de- en vroeg 20ste-eeuwse fotografen zoals William Henry Fox Talbot, Gustave Le Gray, Carleton Watkins, Charles Sheeler, László Moholy-Nagy, August Sander, Paul Strand, Edward Weston en Man Ray vertien- en verhonderdvoudigden. Zelfs voor een kleinere meester als de Belg Pierre Dubreuill (1872-1944), wiens close-up van langspeelplaten in oktober 1998 zo'n 15.000 dollar opbracht, moest binnen een half jaar vier keer zoveel betaald worden.

Vorig jaar oktober bereikte de `hausse' orkaankracht. De Parijse antiquaar André Jammes stak in Londen ruim 25 miljoen gulden in zijn zak voor zijn 19de-eeuwse opnamen. Sotheby's had hem `maar' tien miljoen beloofd. Eén van Jammes' foto's, dreigend noodweer aan de Franse kust, in 1855 vastgelegd door de Franse panoramameester Gustave Le Gray, bleek goed voor het absolute record van 1,7 miljoen gulden. Dat dezelfde opname vijf maanden eerder nog anderhalve ton kostte, was men blijkbaar vergeten.

Een onbekende particulier, vermoedelijk een Duitse industrieel, bood bij die veiling tegen de klippen op. Zo'n opmerkelijke bieder en zo'n uitzonderlijke foto geven misschien een vertekend beeld van de internationale fotohandel. Maar wie nu bij de Utrechtse galerie Ton Peek, de enige Nederlandse handelaar in 19de-eeuwse fotografie, voor 5.600 gulden het bloedmooie, halfnaakte portret van een Tunesische jongeling koopt, wil er toch liever niet aan herinnerd worden dat zo'n zelfde opname tien jaar geleden nog zestig gulden kostte.

,,Het is de wereldwijde economische bloei die de prijzen heeft opgedreven'', zegt Peek, ,,maar vooral de combinatie van enerzijds de groeiende vraag en anderzijds de grote schaarste aan topstukken.'' En met een topstuk wordt een technisch gave vintage-print bedoeld, een liefst gesigneerde, bestempelde en/of gedateerde foto, die een fotograaf van naam zelf of in eigen beheer kort na het maken van de opname afdrukte.

De catalogi van vijf fotoveilingen die volgende week in New York worden gehouden, onthullen dat die schaarste aan vintage-prints wordt ondervangen door latere prints. En ook die zijn alweer goed voor zo'n tien-, twintigduizend gulden. Voor minder dan vijfduizend gulden is er op deze veilingen weinig te koop. Reken maar met een gemiddelde vraagprijs van het drievoudige. Sla niet meteen toe bij een `koopje', want oplage, fototechniek, papiersoort, conditie, jaartal van afdruk: het zijn allemaal factoren die meetellen. Bovendien schatten veilinghuizen opbrengsten steeds te laag in. Misschien om minder gefortuneerde kopers toch hoopvol te stemmen.

De pioniers lachen in hun vuistje. De Parijzenaar Jammes begon veertig jaar geleden al met collectioneren. Hoge kwaliteit was goedkoop en ruimschoots binnen bereik. Manfred Heiting, verzamelaar en directeur van het Berlijnse centrum voor beeldcultuur (in oprichting), richtte zich vanaf het begin van de jaren zeventig vooral op de inmiddels zeer kostbare, vroeg 20ste-eeuwse Duitse en Amerikaanse fotografie: van August Sander tot Edward Steichen, opnamen die hij zich nu, naar eigen zeggen, niet meer kan permitteren. In Nederland was de jurist Bert Hartkamp een vroege vogel. Diens 60.000 opnamen (waarvan driekwart 19de-eeuws) vormen de basis van de Rijksmuseum-fotocollectie.

De Nederlandse musea sliepen toen hun Amerikaanse collega's al driftig hun klassieken – Ansel Adams, Paul Strand, Edward Weston, Irving Penn – aan het vergaren waren. Banken en bedrijven in de VS deden èn doen van harte mee. Hier stond nog ter discussie of fotografie wèl of niet kunst was. Een enkele wakkere fotogalerie als Fiolet in Amsterdam ging ter ziele. En nog steeds, zegt Peek, zijn vraag en aanbod hier gering. Vermoedelijk omdat de Nederlander liever een unicum in huis heeft dan een werk in oplage.

,,Het kopen van 19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse topstukken is niet meer haalbaar'', zegt Els Barents, directeur van het in september jongstleden geopende particuliere fotomuseum Huis Marseille in Amsterdam. ,,Voor zo'n opname betaalt men nu de prijs van een 17de-eeuwse kleine meester. Dan richten wij ons liever op mindere goden, en op eigentijdse kunst- en documentairefotografie. Voor hedendaagse kunstfoto's waaraan galeries wegens stijl, formaat en presentatie een bijna symbolische waarde toedichten, betaalt men relatief veel geld. Belangrijke stukken, maar door je goed op de hoogte te stellen zijn ook andere genres via andere wegen bereikbaar, zoals het nog steeds direct benaderen van een fotograaf.''

Mark Haworth-Booth, fotografieconservator van het Victoria & Albert Museum (V&A) in Londen, dat 300.000 foto's bezit, past dezelfde handelwijze toe. ,,Dankzij onze relaties betalen we soms alleen maar de kosten voor het ontwikkelen en afdrukken. Andere fotografen schenken ons hun werk omdat ze blij zijn dat we het in dit museum laten zien.'' Net als Huis Marseille jaagt het V&A vooral op de eigentijdse kunstfotografie, op beeldend kunstenaars als Cindy Sherman die de fotografie als autonoom medium hanteren, en die er in sterke mate toe hebben bijgedragen dat ze als volwaardige kunstvorm geaccepteerd raakte. ,,We beleven een Gouden Eeuw'', zegt Booth, ,,er wordt zoveel razend interessant werk gemaakt. We hebben onlangs prachtige foto's van Inez van Lamsweerde en Rineke Dijkstra aangekocht.''

De afgelopen jaren is het aantal fotoveilingen evenals fotogaleries in Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Amerika sterk toegenomen. Fransen houden van het oriëntalisme, topografische opnamen van de 19de-eeuwse reizigers naar Noord-Afrika en Egypte. Ze zijn in groten getale nagelaten en ook Peek biedt ze op zijn huidige tentoonstelling aan voor enkele honderden tot duizenden guldens. In Duitsland gaat de voorkeur uit naar de nu uiterst kostbare Bauhaus- en aanverwante experimentele fotografie uit de jaren twintig en dertig. Dat Amerikanen net zo goed de waarde van een constructivistisch fotowerkje inzien, blijkt uit een collageachtig A4'tje van Alexander Rodchenko (1891-1956) dat volgende week in New York zo'n zes ton moet opbrengen.

Peek houdt New York voorlopig voor gezien. Daar kan geen Hollands budget meer tegenop. Dan maar naar Duitsland en naar Parijs, waar mede dankzij de jaarlijkse fotobeurs Paris Photo het netwerk van specialistische galeries een trekpleister voor verzamelaars is geworden. ,,Was ik maar veel eerder begonnen'', zo verwijt hij zichzelf.

Het is nog lang niet te laat, zeggen collectioneur Heiting en conservator Booth. ,,We staan nog maar aan het begin. Beleggers, verzamelaars, jonge kopers: ze willen allemaal een goed stuk hebben. En er is nog maar zo weinig. Want pas na de Tweede Wereldoorlog gingen fotografen in grotere oplagen afdrukken'', aldus Heiting. ,,En voor die nieuwe, jongere en rijke generatie, opgegroeid met fotografie, hebben foto's allang dezelfde status als tekeningen en schilderijen.''

HANDEL