Patronen uitgekristalliseerd

Ruim een jaar na de introductie van het gemeenschappelijke monetair beleid in de EMU verloopt het einde van de reserveperiodes steeds soepeler. De finale van de reserveperiode van maart, precies een week geleden, bleef verschoond van hevige uitslagen in de daggeldrente. De gemiddelde aanhouding van het gezamenlijke bankwezen bedroeg toen 108,6 miljard euro, terwijl er gemiddeld 108 miljard euro moest worden aangehouden.

Ook in de afgelopen reserveperiodes bleken de banken in hun gezamenlijke aanhouding op ongeveer 600 miljoen euro boven de verplichting uit te komen. De extra aanhouding van 600 miljoen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door zogenaamde `opgebrande reserves', een vorm van overreserves die de banken niet meer ongedaan kunnen maken. In de aanvangsfase van de EMU was het nog onduidelijk hoe groot deze reserves zouden zijn. Na ruim een jaar heeft zich dat aardig uitgekristalliseerd.

Vergeleken met een jaar geleden zijn er nog meer aspecten die de aandachtvragen. Zo ligt het aantal bankbiljetten in omloop inmiddels weer bijna op het gemiddelde niveau van 1999, ongeveer 340 miljard euro. Rond de eeuwwisseling liep de circulatie met bijna 35 miljard euro op. Deze voorzorgs- en eindejaarskassen zijn tegen het eind van februari weer verminderd.

Een derde aandachtspunt is de omvang van de reserveverplichting. De eerste `harde' reserveverplichting van de ECB, die van 24 februari 1999, bedroeg 100,4 miljard euro. Deze verplichting wordt vastgesteld op basis van de reserveplichtige passiva van de banken zoals girale deposito's en geldmarktpapier.

Omdat deze passiva voor de meeste banken in het afgelopen jaar zijn toegenomen, geldt hetzelfde voor de reserve-eis. De jongste verplichting bedraagt 108,7 miljard euro, een stijging van 8 procent ten opzichte van een jaar geleden. Voor de banken brengt dat meer kosten met zich mee omdat ze over de reserves een vergoeding krijgen ter grootte van de refi-rente. Deze ligt enkele basispunten onder de marktrente.

In de weekstaat stonden deze week de verruiming van de toegenomen bankbiljettencirculatie (1,9 miljard euro) en de royalere herfinanciering (5,0 miljard euro) tegenover de verkrapping die uitgaat van de toename van de schatkistsaldi (9,5 miljard euro). Per saldo leidde dit tot een lagere aanhouding op de reserverekening van 2,8 miljard euro.

Bron: ING Economisch Bureau