Onderzoek vervuiling Rijn

In opdracht van het Gemeentelijke Havenbedrijf Rotterdam (GHR) is een onderzoek begonnen naar de bijdrage van zogenoemde diffuse bronnen (verkeer, landbouw) aan de verontreiniging van de Rijn. Het onderzoek, dat dit najaar gereed komt, moet inzicht geven in trendmatige ontwikkelingen die van belang zijn voor de kwaliteit van het Rijnwater en daarmee van de 20 miljoen kubieke meter baggerspecie die jaarlijks uit de Rotterdamse haven wordt verwijderd.

De kwaliteit van het Rijnwater – en daarmee van de baggerspecie in de haven – is de laatste tien jaar aanmerkelijk verbeterd. Toch is drie van de 20 miljoen kubieke meter baggerspecie uit de haven zo verontreinigd dat dit moet worden afgevoerd naar de Slufter, een speciaal daarvoor bestemd depot op de Maasvlakte. De Slufter, met een capaciteit voor 100 miljoen kubieke meter, is nu ongeveer voor de helft gevuld. Het GHR wil voorkomen dat een tweede Slufter moet worden aangelegd.

Het nieuwe Project Onderzoek Rijn II (POR) is een vervolg op POR 1 dat van 1984 tot 1994 duurde en succesvol was. Alle belangrijke bronnen van verontreiniging in het stroomgebied van de Rijn – voornamelijk industrieën – werden in kaart gebracht. Vervolgens werden met deze zogenoemde puntlozers afspraken gemaakt over vergaande reductie van hun verontreinigingen. Deze aanpak leidde tot een grote verbetering van de kwaliteit van het water en daarmee ook van het door de rivier aangevoerde slib dat in de haven wordt gebaggerd. De hoeveelheid verontreinigde baggerspecie in de Rotterdamse haven is meer dan gehalveerd.

Het vervolgonderzoek dat wordt uitgevoerd door GKSS Forschungszentrum Geesthacht GmbH bij Hamburg en het Instituut voor Milieu Vraagstukken in Amsterdam, is gericht op de diffuse bronnen die voor ongeveer de helft bijdragen aan de verontreiniging van de Rijn. Projectcoördinator is W. Salomons, medewerker van Geesthacht en buitengewoon hoogleraar in de milieugeochemie aan de Vrije Universiteit. Salomons is ook betrokken bij een soortgelijk onderzoek voor het stroomgebied van de Elbe.

Salomons: ,,Wij werken met een mathematisch model met alle bronnen van verontreiniging, zoals industrie, huishoudens, rioleringen et cetera, maar ook diffuse bronnen in het stroomgebied van de Rijn. Pesticiden die in de landbouw worden gebruikt, komen via erosie uiteindelijk in de rivier. Het verkeer en krachtcentrales brengen polycyclische aromaten in de lucht en die stoffen komen eveneens in de rivier terecht. Op basis van groeiprognoses proberen we te schatten hoe de totale verontreiniging door diffuse bronnen zich ontwikkelt.''

POR II moet ook inzicht oplevereren over de mogelijke effecten van nieuwe milieuwetgeving. Salomons: ,,In Duitsland wordt gewerkt aan maatregelen om erosie te beperken. Als die effectief zijn, dan betekent dat minder afvoer van sediment naar Rotterdam.'' De Europese Unie wil de totale vracht aan verontreiniging (onder andere door rivieren) naar de Noordzee verminderen. Dat kan door hogere eisen te stellen aan de kwaliteit van de baggerspecie, onder meer uit de Rotterdamse haven, die nu op bepaalde plekken in de Noordzee wordt gestort. Salomons: ,,Je kunt denken aan grenswaarden voor bijvoorbeeld zware metalen als koper en zink, die gelijk zijn aan wat natuurlijk aanwezig is in de Noordzeebodem.''

Een dergelijke aanvullende biologische beoordeling voor berging van baggerspecie in zee wordt in 2002 van kracht.

De verontreiniging van de Rijn met zware metalen (koper, zink, kwik) is volgens Salomons in belangrijke mate teruggedrongen. ,,Dat blijkt uit onderzoek van rivierslib. Er zijn ook verontreinigingen waar we nog niet zoveel van weten, zoals door endocriene disrupters, een klasse stoffen die onder andere de verfindustrie loost.''

De resultaten van POR II zullen in november worden gepresenteerd.