Dode, maar mooie bloemen en varens

Planten en bloemen zijn eeuwenlang minutieus verzameld en opgeplakt in herbaria, een onmisbare hulp bij het onderwijs. In het Frans Halsmuseum stapt de bezoeker even terug in de tijd.

Zelfs een leeg Frans Halsmuseum zou de moeite waard zijn. Wie Haarlem vanuit het zuiden binnenloopt en, op weg naar het museum de hoek van het Groot Heiligland omslaat, waant zich in een andere tijd. Dankzij een parkeerverbod is de straat vrij van auto's, waardoor je een onbelemmerd uitzicht op de oude gevels hebt.

Het Frans Halsmuseum is gevestigd in het voormalige Oude- mannenhuis en het 17de-eeuwse gebouw, met zijn met buxuspatronen versierde binnenplaats, spreekt ook zonder speciale tentoonstelling sterk tot de verbeelding. Aan het bestuur van het voormalige bejaardenhuis herinneren de regentenstukken van Frans Hals en je hoeft die schilderstukken maar even te bekijken om door mededogen met de bejaarde mannen bevangen te worden. Wie hier naar binnen ging, kon alle hoop wel laten varen. Na het vertrek van de laatste oude mannen, in 1810, werd het pand tot weeshuis verbouwd. De oude binnenhof, die vóór die tijd een tuin was, werd veranderd in een kinderspeelplaats met een bleekveld en de windwijzer met de weeskinderen op het torentje van het gebouw verwijst nog naar dit verleden van het museum.

Haarlem noemt zichzelf graag `De Bloemenstad' of `Het centrum van de Bollenstreek' en ik heb langs een van de invalswegen inderdaad wat narcissen zien bloeien. Maar met de naam `Bloemenstad' trekt de stad een wissel op het verleden, want het is al weer een paar eeuwen geleden dat Haarlem inderdaad het middelpunt van de bloembollenteelt was. Het laatste Haarlemse bollenland dat in gebruik was bij Van Tubergen, een van de beroemde Haarlemse bloembollenfirma's, is al jaren geleden verkaveld en bebouwd en in een poging om een faillissement af te wenden is de bibliotheek van de firma geveild en over de wereld verspreid geraakt.

Het Frans Halsmuseum verwierf uit de boedel het Tulpenboek van de Haarlemse schilderes Judith Leyster, een schitterend boek met aquarellen van tulpen uit 1634, dat nu tot de pronkstukken van de collectie behoort. De tulp krijgt in het museum ruimschoots aandacht, want de tulpomanie fascineert velen. Het zou aardig zijn om ook eens iets te horen over de hyacinthengekte, die ongeveer honderd jaar na de tulpengekte door Nederland waarde en die zelden genoemd wordt. Misschien een leuk onderwerp voor de volgende botanische bestseller van een buitenlandse auteur.

Al meer dan tien jaar organiseert het Frans Halsmuseum in het voorjaar bloemenpresentaties en in het oude gebouw gaan de historische bloemstukken perfect samen met de schilderijen, de meubels en het glaswerk. Speciaal teruggekweekte `antieke' bolgewassen maken deel uit van de boeketten in oude en hedendaagse schalen, schotels en vazen. Elke jaarlijkse presentatie wordt opgeluisterd met een speciaal thema. Ditmaal heeft het Nationale Herbarium Nederland uit Leiden een keuze gemaakt uit zijn uitgebreide verzameling herbaria. Dit zijn antieke albums in zeer groot formaat, vol gedroogde bloemen en kruiden. Om te voorkomen dat een tentoonstelling van muffe oude planten als saai ervaren wordt, zullen – naast de albums – ook latere bloemenboeken en naar het leven getekende en geschilderde bloemgewassen te zien zijn.

Oorspronkelijk betekende het woord herbarium `kruidboek', waarmee een handboek voor kruidkunde bedoeld werd. Dit kon een boek met gedroogde planten, maar ook een boek met afbeeldingen van planten zijn. Later ontstond een andere naam voor een losbladige verzameling van gedroogde planten: `Hortus siccus' – gedroogde tuin. Uiteindelijk bleef het woord herbarium over. De oudere generatie is ongetwijfeld nog met het maken van een herbarium bekend; dit gebeurde – net als het gehate determineren – in het kader van het biologie-onderwijs, maar tegenwoordig is het plukken en drogen van planten in onbruik geraakt. Determineren gebeurt nog steeds, op middelbare scholen, maar niet met de aloude Heukels' Flora, maar met behulp van een cd-rom met het nasale gesproken commentaar van Harmke Pijpers.

Veel van de tentoongestelde aquarellen zijn van de hand van de Haarlemse schilder Laurens Jacobsz van de Vinne. De bladen zijn afkomstig uit de verzameling van A. en D. van Royen, samenstellers van het Herbarium Van Royen. Naast een herbarium bezat een botanist vaak een `florelegium', een verzameling afbeeldingen van bloemen en planten.

Het herbarium van de Leidse hoogleraren Van Royen valt op doordat de gedroogde planten niet plompverloren op papier zijn geplakt, maar met een zekere artistieke inslag gearrangeerd. Ze zijn zo opgeplakt dat ze lijken te ontspruiten aan gegraveerde tuinvazen. Voor opschriften wordt soms gebruik gemaakt van fraaie voorgedrukte banderolles. Het Herbarium New Zealand Ferns, Auckland is zeker niet het kostbaarste getoonde herbarium, maar misschien wel het leukste. Ten eerste is een gedroogde varen ook voor niet-botanici mooi om naar te kijken en ten tweede heeft de Nieuw-Zeelandse varenhandelaar Eric Craig op ieder blad kleine bloemstukjes van verschillende soorten varens gecomponeerd, waardoor het album weliswaar meer commerciële dan wetenschappelijke waarde heeft, maar voor de geïnteresseerde leek het boeiendste herbarium is om naar te kijken.

Tentoonstelling: Bloemen, levend en gedroogd. Ism Nationaal Herbarium te Leiden. T/m 7 mei in het Frans Halsmuseum, Groot Heiligland 62, Haarlem. Tel 023-5115775. Open ma t/m za 11-17u. Zon- en feestdagen 12-17u.