Voer voor haviken en voor duiven bij ECB

Morgen vergadert de Europese Centrale Bank, voor de verandering, in Madrid. Het jongste nieuws over de euro-economie bevat voldoende voer voor zowel de duiven als de haviken onder de bankiers.

Makkelijk zou het nooit geweest zijn, het voeren van één monetair beleid voor elf verschillende landen. Maar de jongste ontwikkelingen in het eurogebied waar de bankiers van de Europese Centrale Bank zich morgen over buigen bergen zoveel tegenstrijdigheden in zich, dat het rentebeleid hersenkrakende discussies zal vergen.

Sinds oktober vorig jaar heeft de ECB, in het licht van de herstellende Europese economie, de oplopende prijs van olie en de zwakte van de euro tegenover de dollar, zijn rentetarieven met in totaal een procent opgeschroefd, tot 3,5 procent voor de belangrijkste rentevoet, de basis-herfinancieringsrente. Die serie van renteverhogingen, waarvan de laatste – een stap met een kwart procentpunt – twee weken geleden werd doorgevoerd, hebben de rente nu gebracht op een peil dat ECB-president Duisenberg vorige week maandag tegenover het Europese Parlement kenschetste als ,,geschikt voor de huidige situatie en onze huidige verwachtingen voor de toekomst''.

Die definitie lijkt stevig, maar bevat een flink voorbehoud. Dat is maar goed ook, want de hoeveelheid nieuwe gegevens en inzichten sinds de vorige vergadering van de ECB is zeer fors. Allereerst zijn er de inflatiegegevens over februari. In die maand bleek voor de euro-11-landen de inflatie gestegen te zijn naar 2 procent, en dat is tegen het plafond van de definitie van 0 tot 2 procent inflatie die de ECB zelf hanteert voor `prijsstabiliteit'. De verzwakking van de euro tegenover vooral de dollar, tot onder de 0,96 dollar per euro vanmorgen, is daar een van de oorzaken van. En de sterk gestegen olieprijs, die twee weken geleden meer dan 30 dollar per vat was, eveneens.

De laatste tijd is de euro, zoals Duisenberg tegenover de parlementariërs opmerkte, wél stabiel gebleven, zij het op een zeer laag niveau. En de olieprijs is sterk teruggezakt naar onder de 25 dollar vanmorgen, nadat de olieproducerende landen van OPEC vanmorgen overeenkwamen de productie met 1,45 miljoen vaten per dag op te voeren.

Dat maakt dat Duisenberg en de zijnen kunnen blijven hopen dat het door hen voorspelde verloop van de inflatie dit jaar intact blijft: een stijging in de eerstkomende maanden, gevolgd door een daling omdat de olieprijs een steeds minder grote stijging zal vertonen als hij wordt vergeleken met een jaar geleden.

Alleen het niveau waarop die curve zal staan kent onzekerheden. Stijgt de inflatie tot 2,2 procent om vervolgens naar 1,7 procent terug te zakken? Of komt de hele curve op een hoger niveau? Het peil waarop de olieprijs uiteindelijk tot rust zal komen, heeft daar grote invloed op. Dat kan de 20 dollar zijn, waarvan de OPEC-landen hebben laten doorschemeren dat ze daar mee kunnen leven. Maar het OPEC-front is verre van gesloten: de afgesproken productieverhoging met 1,45 miljoen vaten is minder dan de 1,7 miljoen waar vooral Saoedi-Arabië op inzette, en Iran blijft dwarsliggen.

Van grote invloed is ook de mate waarin de reeds gestegen olieprijs niet alleen leidt tot prijsstijgingen bij de pomp, maar ook begint door te sijpelen in de prijzen van halffabrikaten en eindproducten. Zo'n ontwikkeling zou een bestendiger inflatiedruk tot gevolg hebben, waar de lonen dan weer opwaarts op kunnen reageren.

Van het loonfront komt echter goed nieuws. Gisteren werd bekend dat de IG-Metall, de belangrijkste vakbond in een van de belangrijkste landen van de eurozone, genoegen zal nemen met loonstijgingen van 3 procent in de eerstvolgende twee jaar. En dat is fors minder dan de 5,5 procent waarmee de onderhandelingen werden ingezet.

Die matiging staat op haar beurt weer in scherp contrast met de economische vooruitzichten voor het eurogebied. De ECB gaat er van uit dat de euro-economie dit en volgend jaar met zo'n drie procent groeit. Die sterke groei heeft monetaire bijverschijnselen. Gisteren bleek dat de groei van de geldhoeveelheid in februari 6,2 procent bedroeg. Dat was verrassend veel. Op de financiële markten (en bij de ECB zelf ook) werd verwacht dat de introductie van de euro vorig jaar zoveel statistische verstoring had opgeleverd, dat de hoge geldgroei van eind vorig jaar (6,2 procent op jaarbasis) in de eerste maanden van dit jaar zou terugvallen. Dat gebeurde in januari ook, toen de geldgroei bleek te zijn teruggelopen naar 5,2 procent. maar de 6,2 procent van februari komt als een onaangename verrassing. De ECB zelf heeft een `referentiewaarde' voor de geldgroei van 4,5 procent, die fors wordt overschreden. Duisenberg zal zich, zo mag worden verwacht, morgen vooral druk maken over de kredietverlening aan de private sector, die met een groei van 10,5 procent zeer sterk blijft toenemen.

Centrale bankiers die het liefst de eurorente nogmaals zouden willen verhogen, vinden genoeg argumenten in de jongste ontwikkelingen om hun pleidooi kracht bij te zetten. Maar de duiven, onder wie Bundesbankpresident Welteke, die pleiten voor een pas op de plaats, kunnen dat eveneens. Consensusbouwer Duisenberg wacht morgen een mooie uitdaging.