Penningkabinet toont VOC-goud

Staatssecretaris Wouter Bos en zijn collega Rick van der Ploeg hebben gisteren gezamenlijk een goudstaaf van vijf kilo aangeboden aan het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet te Leiden. Het goud – een staaf van 18 karaat – is afkomstig van het VOC-schip Leimuiden dat in 1770 is vergaan bij het Kaap-Verdische eiland Boa Vista. Het werd in 1993 gevonden door een Zuid-Afrikaans duikteam en vertegenwoordigt een waarde van zo'n 80.000 gulden. Na lange onderhandelingen tussen de duikers, de Kaap-Verdiaanse overheid en de Staat der Nederlanden kwam het uiteindelijk terecht in Nederland. De VOC hield op te bestaan in 1799 en de Staat der Nederlanden is formeel de rechtsopvolger van de Compagnie. Claims op voorwerpen uit VOC-wrakken worden behandeld door de Dienst der Domeinen, dat onder het ministerie van Financiën valt. Vandaar dat de nieuwe staatssecretaris van dat ministerie het goud overhandigde. Het blijft wel eigendom van de staat. Het Penningkabinet zal het beheren en heeft er een kleine expositie aan gewijd.

De VOC heeft altijd gemunt en ongemunt goud en zilver naar Azië moeten exporteren om daar haar aankopen te doen: specerijen, porselein, thee, textiel en vele andere producten. Daarom gingen met elk schip kisten vol goud en zilver mee. De Leimuiden had voor 200.000 gulden aan boord. Het schip was vanuit Texel op weg naar Ceylon; het goud zou in Zuid-India worden omgesmolten tot plaatselijke munten. Zover is het nooit gekomen, want binnen een maand na vertrek liep het schip in een hevige storm op de rotsen. De kapitein verliet met een aantal officieren per sloep het schip, waarbij hij zo'n 300 opvarenden, matrozen en soldaten achterliet.

Van de rest van het goud aan boord, nog 36 baren, is onbekend waar het is gebleven. Wel blijkt uit de verhoren van bemanningsleden dat enkele achtergebleven opvarenden de schippershut zijn binnengedrongen en de goudkisten hebben opengebroken. Enkelen bereikten de kust met de baren in hun kleren verstopt, maar werden bij fouillering betrapt. Toch is daarna nooit meer iets van het goud teruggezien. De opvarenden kwamen langs verschillende wegen weer in Nederland terug en de officieren werden daar verhoord en schuldig bevonden. Ze mochten de VOC nooit meer dienen.