Klaas de Vries werpt licht op politieke renaissance

Minister De Vries, de nieuwe bewindsman van Binnenlandse Zaken, sprak gisteren frank en vrij, en geheel op zijn gemak, over de renaissance van de politiek.

Hij zat er alsof hij deze positie al lang bekleedde. Met een zeker gezag en een sterke uitstraling. En niemand in de zaal die er gek van opkeek.

Net vier dagen minister van Binnenlandse Zaken verzorgde Klaas de Vries gisteren in De Balie in Amsterdam zijn eerste publieke optreden in zijn nieuwe rol.

De opvolger van Bram Peper sprak op verzoek over de renaissance van de politiek. De afspraak was nog gemaakt met zijn voorganger. Maar De Vries had zijn ambtenaren bij het schoonvegen van een overvolle agenda al direct gezegd dat hij deze uitnodiging wilde overnemen. Hij vond, zei hij gisteren, een discussie over de rol van de overheid in de moderne, snel veranderende samenleving een te mooi project om af te zeggen.

De Vries begon desondanks met een kanttekening. Behalve `tamelijk pretentieus' vond hij het debatthema ook een tikkeltje onjuist. ,,Een renaissance kondig je niet af. Daar moet de tijd rijp voor zijn en je ervaart die pas als je er middenin zit of als het achter de rug is.''

Maar het idee van een renaissance zag hij tegelijk als ,,iets heel aantrekkelijks'', omdat er een ,,grote affiniteit met de publieke sector'' en ,,een authentieke zorg voor de kwaliteit van onze democratische rechtsstaat'' uit sprak.

De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken houdt niet van grote woorden en heeft bovendien geen last van een grote profileringsdrang. Liever houdt hij het bij een goede analyse. En voor die analyse greep hij ten dele terug op de notitie die zijn voorganger Peper vorig jaar publiceerde over de positie van de overheid in een samenleving waarin de burger steeds meer van de overheid verwacht, en zich tegelijk ook steeds sterker van de overheid afkeert.

Over wat de overheid precies moet doen, was De Vries nog voorzichtig: in ieder geval niet `meer van hetzelfde', en zeker niet met het idee dat alles vanuit één centrum moet worden bestuurd. In navolging van de vice-president van de Raad van State, Tjeenk Willink, pleitte De Vries ervoor dat de overheid zich scherper bezint op haar rol op onderscheiden terreinen.

De Vries zette daarbij de oude ideologische bakens opzij. Concepten als de liberale nachtwakersstaat, het christen-democratische rentmeesterschap en de maakbare verzorgingsstaat van de sociaal-democratie zijn niet meer de kaders voor de overheid om beleid uit te zetten, zo gaf hij aan.

Maar hij hield wel vast aan een normatieve overheid. De Vries: ,,Ik sta niet aan de kant van degenen die menen dat de overheid in de postmoderne samenleving zouden moeten afzien van idealistische en normatieve aspiraties.''

De overheid, ook een minder dominante overheid, is nog altijd een instantie die voor burgers bindende besluiten neemt, redeneerde De Vries. Zij bepaalt nog steeds op een aantal terreinen ,,wat goed is'' voor individuele burgers en voor groepen burgers. En burgers zullen beslissingen van de politiek en de overheid pas als ,,gezaghebbend'' ervaren als duidelijk is vanuit welke normen en waarden die overheid opereert.

Wat zijn dan die normen en waarden precies? Hierin bleef De Vries nog enigszins algemeen en opsommerig. Hij dacht aan `legitimiteit', `verantwoording' en `democratische controle'. En bovendien aan `transparantie', `partnerschap' en `co-productie'. Het klonk niet direct meeslepend. Maar er zijn ministers die met minder ambities zijn begonnen.

TOESPRAAK DE VRIES: www.nrc.nl/DenHaag