Geen geld, geen Zwitsers

Voor het beroep van soldaat is steeds minder liefhebberij. Hetzelfde geldt voor dat van verpleegster/pleger en docent in het lager onderwijs. Daardoor dreigt een belangrijk onderdeel van de Nederlandse beschaving, een deel dat de nationale trots wekte, in het gedrang te komen. Ruim geformuleerd is dat de zorgsector, die hier altijd voorbeeldig in orde was. Ook de soldaat neemt deel aan de zorg, die voor de nationale veiligheid.

Dat is de theorie. In werkelijkheid wordt de gezondheidszorg met bekwame spoed geprivatiseerd. De scholen die op de vrije markt niets extra's te bieden hebben en zich moeten blijven richten op het economisch zwakste deel van het publiek – wat vroeger de armen heette – raken achter. Waarom zou dan defensie, in deze tijd van mondiaal marktdenken en voortgaande staatkundige integratie, tegen de bierkaai moeten vechten?

Opheffing van de dienstplicht was de eerste stap. Deze lijn volgend, heeft het Instituut Clingendael onlangs voorgesteld dat de Nederlandse krijgsdienst moet worden opengesteld voor buitenlandse vrijwilligers. De directeur van het Instituut, A.van Staden zei: `De notie dat militairen vechten voor het vaderland is achterhaald. Nederland zet militairen in ter verdediging van de universele waarden en de internationale rechtsorde. Dergelijke waarden gelden voor alle wereldburgers.'

Principieel nieuw is het niet. Er zijn meer oorlogen gevochten met huurlingen dan met dienstplichtige patriotten. Muiterijen braken uit als de staat, of de krijgsheer, geen geld meer had om de soldij te betalen. (In 1933 nog op de Nederlandse vloot, waar veel `inlanders' dienden. De aanvoerders van de muiterij op de Zeven Provinciën waren een `inlander', Paradja, en de Nederlandse korporaal Maud Boshart). En al eeuwen bestaat de Pauselijke Garde uit huurlingen die de drager van de universele waarden volgens de katholieke kerk verdedigen. `Geen geld, geen Zwitsers.' Precedenten zijn er in overvloed.

Het voorstel van Clingendael is snel weggewimpeld, niet met vaderlandslievende argumenten maar, merkwaardig, ook met een beroep op het marktdenken. `Defensie moet gewoon concurreren op de arbeidsmarkt, net als alle andere bedrijven', zei defensiespecialist Zijlstra van de Partij van de Arbeid. Zijn liberale collega Van den Doel was het met hem eens: `Aan de arbeidsvoorwaarden van Defensie kan nog wel het een en ander worden verbeterd.' En de christen-democraat Van der Knaap vatte het samen: `Meer geld naar Defensie.' Op het eerste gezicht heeft het een kern van rechtvaardigheid. Een jaar of veertig geleden deden hier de eerste buitenlandse arbeiders hun intrede `om het vuile werk op te knappen'. Nog altijd zien we verhoudingsgewijs te veel allochtonen in beroepen die door de meeste autochtonen liever niet worden uitgeoefend. Dat wordt in Nederland moreel niet in orde bevonden.

Deze redenering volgend, moeten we het dus volstrekt verwerpelijk vinden het vuilste werk van alles, het vechten en sneuvelen over te laten aan allochtone beroepssoldaten, d.w.z. huurlingen – de Zwitsers van de nieuwe vrije arbeidsmarkt. Clingendael kan wel zeggen dat het voor de universele waarden is, maar bij deze beroepssoldaten zullen de idealen van de NAVO en de hoogte van de soldij niet om de voorrang hebben gestreden, zo gaat deze onuitgesproken gedachtegang verder. Onze twijfel aan hun motief zou hen dus onbruikbaar maken voor de verdediging van onze universele waarden. Zo absurd is het.

In tijden van oorlog gaat het tenslotte altijd om de rol van de gewone soldaat, voor wie het ruwste werk is gereserveerd. Binnenkort wordt op de Nederlandse televisie, RTL4, in drie delen een oorlogsdocumentaire vertoond, The Colour of War. Het is een indrukwekkende montage van journaals in kleur, gemaakt kort voor en in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Zwart-wit film was gebruikelijk, kleur nog schaars maar van goede kwaliteit. Ik zag een persvoorstelling waar ik iemand trof die zich van tijd tot tijd tot het geweten van Nederland richt. `Begrijp jij', zei hij na afloop, `dat die soldaten zich zo gehoorzaam een wisse dood in hebben laten sturen? Denk je dat er vandaag nog iemand bereid is, zich dat te laten overkomen?' Nee.

Ziedaar de vraag, voor het eerst gesteld in 1914-1918, nog steeds niet definitief beantwoord. Op zijn extreemst gesteld: is de soldaat nog altijd bereid als vaderlandslievend kanonnenvlees te dienen? Of wil hij op zijn hoogst humanitaire ordediensten verrichten nadat de smart bombs ten behoeve van de universele waarden min of meer op de vijand zijn ontploft? Voor de soldaat, degene van wie in beginsel nog altijd wordt verwacht dat hij in het uiterste geval het ouderwetse handwerk opknapt, is dat geen vraag. Voor de oorlogsleiding en degenen die de politieke verantwoordelijkheid dragen, evenmin.

Dezer dagen herdenken we het begin van de oorlog om Kosovo. Van het begin af was het zeer onwaarschijnlijk dat daar grondtroepen aan te pas zouden komen, voornamelijk omdat de Amerikaanse regering zich om redenen van binnenlandse politiek geen gesneuvelden kon veroorloven. Het werd dus een luchtoorlog. Halverwege de operaties leek de mislukking nabij. De streng geleide berichtgeving uit het hoofdkwartier wekte een andere indruk. Dat moest. Er was geen andere keuze. De waarheid was anders. De modernste beperkte oorlog, leert Kosovo, is een luchtoorlog met geregisseerde berichtgeving over een vrijwel voortdurende reeks van successen. In de Golfoorlog was daarmee al ervaring opgedaan.

Deze vorm van oorlogvoering komt voort uit politieke noodzaak. Onder de jonge mensen die de soldatenleeftijd hebben, bestaat al weinig belangstelling voor het uniform, en geen enkele animo om ten behoeve van een in hun ogen verjaard belang hun leven te wagen. De consequentie is dat er meer geld aan de luchtmacht moet worden gegeven, en meer soldij aan de soldaten zonder dat er nog nauwkeurig op hun afkomst wordt gelet (zoals we het in de vreedzame zorgsector doen). Of we moeten afzien van het oorlog voeren, in welke vorm dan ook. Dat dit ooit zal gebeuren, gelooft niemand.