Extra steun van 60 miljoen voor verloskundigen

Minister Borst (Volksgezondheid) trekt zestig miljoen gulden extra uit voor de verloskundige zorg, om het norminkomen van vroedvrouwen te verhogen. Dit heeft Borst de Tweede Kamer gisteren geschreven.

Eerder op de dag had zij dit al aan de verloskundigen toegezegd in een gesprek met hun belangenorganisatie KNOV. De minister herhaalde daarbij haar in de Eerste Kamer gedane belofte dat verloskundigen nog maar 120 in plaats van 150 bevallingen per jaar hoeven te doen om hun norminkomen te kunnen halen.

De KNOV vindt 90 bevallingen per jaar het maximum. Op dit moment doet een verloskundige jaarlijks gemiddeld 125 bevallingen. Dit aantal verschilt per praktijkvorm. In een solopraktijk doet een verloskundige gemiddeld zo'n 170 bevallingen, in meermanspraktijken is dat ruim 110. In de laatste twintig jaar is het aantal solopraktijken meer dan gehalveerd (er zijn er nog 141). Deze zijn nog voornamelijk buiten de steden te vinden. De KNOV rekent voor, dat een verloskundige aan een gemiddelde bevalling bijna twaalf uur kwijt is. In die tijd zijn tien controles van een kwartier tijdens de zwangerschap meegerekend.

Nederland telt ruim 1.500 praktiserende verloskundigen, van wie ruim duizend zelfstandig gevestigd zijn. Het grootste deel van de overige vroedvrouwen werkt in een ziekenhuis, enkele tientallen zijn werkzaam als `waarnemer'. Volgens de KNOV is er een groot tekort aan vroedvrouwen. In de jaren negentig steeg het aantal verloskundigen jaarlijks gemiddeld met 3,8 procent: ruim 60 procent van de verloskundigen is thans jonger dan veertig jaar. Borst heeft de KNOV ook toegezegd het aantal opleidingsplaatsen te zullen uitbreiden van 120 tot 160.

Volgens de KNOV is voor een zelfstandig gevestigde verloskundige een bruto-inkomen van ruim 120.000 gulden redelijk. De organisatie baseert zich daarbij onder meer op het inkomen van een arts-assistent en een psycholoog. Daarnaast zou de vroedvrouw jaarlijks nog eens 75.000 gulden kwijt zijn aan praktijkkosten. Het gaat daarbij om instrumenten, verbruiksartikelen (zoals verband en handschoenen), huur en inrichting van de praktijkruimte, maar ook om andere kosten zoals voor een waarnemer.