Een Brits schrijver van stand

De Britse schrijver Anthony Powell (94) is gisteren in zijn woonplaats Somerset overleden. Hij laat een oeuvre achter dat gedomineerd wordt door een twaalfdelige romancyclus die voor zijn bewonderaars zowat de grootste prestatie is van de Engelse twintigste-eeuwse literatuur: A Dance to the Music of Time (1951-1975). Na de verschijning van de eerste delen zag de Franse schrijver Michel Mohrt er `un Proust anglais' in. Mohrt werd als vooraanstaand bewonderaar geciteerd op de omslagen van verscheidene volgende delen, zonder dat iemand zich zorgen maakte over een tweede mogelijke betekenis: dat als een Fransman en een Engelsman vergelijkbare grote werken ondernemen, het Engelse waarschijnlijk lichter en makkelijker uitvalt.

Een veredelde kwebbelrubriek wordt The Music of Time wel genoemd; maar voor de ware `Powellites' is dat juist een van de kenmerken waaraan de cyclus zijn ereplaats onder de Engelse tijdsbeelden dankt. Powells verteller Nicholas Jenkins begint het verhaal op zijn kostschool in 1921 (A Question of Upbringing), besteedt een hoofdstuk aan de universiteit en vestigt zich dan als aankomend schrijver in Londen, waar hij een kennissenkring heeft van tientallen mensen die hij uitbreidt tot honderden. In het zesde tot en met het negende deel (The Kindly Ones, The Valley of Bones, The Soldier's Art en The Military Philosophers) beschrijft hij zijn oorlogservaringen; in het tiende (Books do Furnish a Room) keert hij even terug naar de universiteit en dan naar Londen waar hij het verhaal in 1971 besluit.

De meest herkenbare onder de vele personages is Kenneth Widmerpool, een schoolgenoot met wie Jenkins het nooit heeft kunnen vinden en die tot zijn ongenoegen telkens weer zijn pad kruist. Begrijpelijkerwijs had Widmerpool de grootste rol in de televisiebewerking die in 1998 in Nederland vertoond is. Hoofdpersoon van de hele geschiedenis is hij niet, dat is niemand. Hij kan worden aangeduid als een hoofdmotief, de voornaamste vertegenwoordiger van eigenschappen die bij Jenkins ergernis en lachlust wekken.

Jenkins zelf lijkt nog minder op een hoofdpersoon. Het is ongelooflijk zo veel als hij van zijn kennissen weet te vertellen. Over zichzelf zwijgt hij, behalve als hij in het voorbijgaan zijn werk noemt of iets aanhaalt wat zijn vrouw Isobel zei. Jenkins werkt aan zijn herinneringen als een historicus in een archief; het rumoer is verstomd, de gegevens worden gerangschikt en naverteld in welgekozen bewoordingen. Onberoerd en opmerkzaam beschrijft hij in spits satirisch proza hoe zijn tijdgenoten leefden. Dat Powell met deze Jenkins even zeer de verbeelding van zijn lezer aanspreekt als Proust is niet vol te houden. Zijn grote werk kan het best bewonderd worden als een toppunt van conversatiekunst: zo aandachtig en veelzijdig dat niemand het hem nadoet, en zo consequent van toon dat het door blijft klinken als een muzikale echo.

De op 21 december 1905 in Londen geboren Anthony Dymoke Powell is wel eens beknord als snob, althans als iemand die alleen mensen kent in de bovenste lagen van de maatschappij. Dat was onverdiend, al had hij zelf een kostschoolopleiding op Eton, een studie in Oxford en een officierscarrière in de Tweede Wereldoorlog achter de rug. Powell kende personen van alle rangen, standen en politieke partijen en trok niemand voor. Hij kon het niet helpen dat hij van huis uit een van de deftigste romanschrijvers van de twintigste eeuw was; iets waar hij aan herinnerde door vol te houden dat de eerste lettergreep van zijn naam met een `o' moet worden uitgesproken in plaats van met de Hollandse `auw', en door getrouwd te zijn met een dochter van Lord Pakenham.

Meer dan klassebewustzijn straalt Powell zelfvertrouwen uit, sociaal, moreel en intellectueel. Het kenmerkt zijn romans, ook de kleinere die voor de Tweede Wereldoorlog verschenen (Afternoon Men, 1931; What's Become of Waring?, 1939), en nog meer zijn Journals, waar drie delen van verschenen zijn over de jaren 1982 tot 1992. Net als Nicholas Jenkins schrijft Powell daarin over het uitzicht op anderen, niet over het inzicht in zichzelf. Niemand die de toonsoorten van Engeland in de twintigste eeuw wil terughoren mag Anthony Powell overslaan. Zijn werk moet door de serieuze liefhebber om de paar jaar herlezen worden, net zoals dat van Jane Austen.