De Vries: Uitstel is raar

Staatssecretaris De Vries van Verkeer en Waterstaat vindt de tijd rijp voor een verdeling van de UMTS-frequenties. Heel de wereld is daarmee bezig, dus waarom zou Nederland achterblijven?

,,Nee, het is niet te vroeg'', luidt de resolute reactie op het door telecombedrijf Ben geuite bezwaar dat het veilen van frequenties voor UMTS, de opvolger van GSM, veel de voorbarig is. Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Monique de Vries snapt de kritiek van `Meneer Ben' niet.

,,In Finland is het al op de markt, het wordt op het ogenblik geveild in Groot-Brittannië, Telfort en KPN willen het wél graag nu hebben'', zegt De Vries. ,,Als ik de veiling zou uitstellen, stappen er mensen naar de rechter met de beschuldiging dat ik schaarste creëer.'' Uitstel zou ronduit ,,raar'' zijn, vindt de bewindsvrouw.

Toch is De Vries de vijftien partijen die belangstelling hebben voor UMTS op een aantal punten tegemoetgekomen. Zo zal de feitelijke veiling pas beginnen na afloop van de Wereld Radio Conferentie die de internationale telecom-unie ITU van 8 mei tot en met 2 juni houdt. ,,Dan wordt duidelijk of er nieuwe ruimte beschikbaar komt voor UMTS'', zegt De Vries. ,,Dat is strategisch belangrijke informatie voor bedrijven om hun positie te bepalen in het biedingsproces.''

Ook is de eis vervallen dat bedrijven verplicht `landelijk dekking' – beschikbaarheid in héél Nederland – van UMTS moeten leveren, zoals bij GSM. ,,De bedrijven hebben laten weten uit commercieel oogpunt zelf te willen bepalen waar ze UMTS leveren en waar niet'', zegt De Vries. Het gaat volgens haar om jonge technologie waarvan het commerciële potentieel nog niet duidelijk omlijnd is. Vandaar dat ze akkoord is gegaan met beperkte `uitrol' ervan. In de praktijk zal het dus niet mogelijk zijn via UMTS overal in Nederland te telefoneren of te Internetten.

Een andere reden om geen verplichte landelijk dekking te eisen, is dat de telecombedrijven opnieuw zullen moeten onderhandelen met gemeenten over plaatsing van UMTS-antennes. In een recente brief aan de Tweede Kamer schrijft De Vries dat daardoor ,,een dekking van de bebouwde kom in de vier grote steden na 1 jaar onrealistisch is''. De Vries heeft daarom een nieuwe eis geformuleerd. Tussen 2002 en 2007 moeten de vergunninghouders 60 procent van de bevolking kunnen bedienen.

De veelgehoorde kritiek dat de overheid met een centraal antennebeleid moet komen en dit niet moet overlaten aan de gemeenten, vindt De Vries niet terecht. ,,Gemeenten geven ook bouwvergunningen, dat is heel normaal. Dat soort zaken handelt de plaatselijke overheid nu eenmaal af.''

Bovendien helpt de overheid de telecombedrijven waar mogelijk. Ze stelt overheidsgebouwen en wegportalen beschikbaar, heeft een website opgezet over het antennebeleid en adviseert gemeenten over mogelijk te plaatsen antennes. De Vries zegt dat er ,,een hele goede werkrelatie'' met de telecombedrijven bestaat.

Bovendien valt het allemaal wel mee met die antennes. Volgens De Vries kunnen toekomstige vergunninghouders die al over een GSM-netwerk beschikken nieuwe UMTS-antennes plaatsen op bestaande masten. ,,UMTS-antennes zijn kleiner dan de huidige en moeten bovendien hoger worden geplaatst'', zegt De Vries. Alleen als er een nieuwe operator op de Nederlandse markt actief wordt, zal dat leiden tot een forse toename van antennes.

De Vries voelt zich gesterkt in haar opvatting dat de UMTS-veiling niet voorbarig is door de ontwikkelingen in Japan. Daar bestaat heel veel belangstelling voor de evenknie van UMTS, I-mode. Volgens De Vries neemt het aantal gebruikers van I-mode maandelijks toe met een half miljoen mensen. In het mobielgekke Nederland moet zoiets ook mogelijk zijn, denkt De Vries.

Dat de frequenties voor veel geld worden geveild vindt De Vries vanzelfsprekend. ,,Ik heb maar vijf kavels in de aanbieding en vijftien partijen die belangstelling hebben. Wat moet ik anders?''