Wrok

Hier zat hij dan, aan een meer in het kille noorden, verraden door zijn partijgenoten. Hoe kort geleden nog bogen ze voor hem, wrongen ze zich in bochten om een gunst. Nu verheugden ze zich over zijn val en verdrongen zij elkaar om te getuigen van hun leedvermaak. Zijn opvolging was in een oogwenk geregeld, achter zijn rug om. Alleen zijn vrouw, die hem aanbad wegens zijn intellectuele superioriteit en zijn gedurfde dadendrang, geloofde nog in hem. Zestig jaar was hij. Hij staarde over het meer en probeerde het te begrijpen.

Uit de stad, die eens aan zijn voeten lag, bereikten hem de meest leugenachtige berichten. Nu hij van zijn macht was beroofd, staken de wormen hun kop uit de grond. Hij zou zich stelselmatig hebben verrijkt, zou de verkeerde vrienden hebben gekozen, zou een spoor van menselijke vernieling hebben getrokken, had andersdenkenden geschoffeerd, critici op een zijspoor gerangeerd, of nog erger. Toen hij de leiding had was hem daarover weinig ter ore gekomen. Nu hij er langer over nadacht: eigenlijk was hij altijd omringd geweest door vleiers, die hem voortdurend hadden ingefluisterd hoe briljant en revolutionair zijn politieke ideeën waren, hoe onfeilbaar zijn strategie.

Niets was hem te veel geweest. Had hij met zijn oude socialistische elan niet twintig jaar lang de gemeenschap gediend, had hij er zelfs zijn gezondheid niet voor op het spel gezet? Als hij niet op reis was, had het licht in zijn werkkamer tot diep in de nacht gebrand. In zijn stad had hij hoge buitenlandse gasten ontvangen en rondgeleid. Ze hadden versteld gestaan van de manier waarop hij nieuw en oud tot één harmonisch geheel had samengevoegd. Zijn stad. Hij had haar gesaneerd – was letterlijk door muren gegaan – had haar een dynamiek gegeven die recht deed aan haar glorieuze verleden. Drong het dan niet tot die gezapige breinen door dat hij dat grootse werk tot stand had gebracht en dat zij daar in zijn kielzog onbeschaamd van hadden geprofiteerd? Een stad van verraders, waar de middelmaat weer de lakens uitdeelde – nooit meer zou hij er een stap zetten.

En terwijl hij daar zat, besprong hem de gedachte eens precies op papier te zetten welk onrecht hem was aangedaan. Zijn analytische geest en zijn scherpe pen hadden ze hem niet kunnen afnemen. Ja, ze zouden nog van hem horen. Beter één dag te leven als een leeuw dan een eeuw lang als een schaap. Een finale afrekening zou het worden, hij zou niemand sparen. Daarna was het woord aan de geschiedenis.

Het was herfst 1943 en Benito Mussolini stond op, wierp een laatste blik op het Gardameer en liep naar binnen. Nu hij een besluit had genomen leek Rome ineens ver weg en onbeduidend.