Stabiliteitspact: proef op de som

Het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa, vorig jaar met veel klaroengeschal gelanceerd, heeft nog weinig concreets laten zien. Nu moet het allemaal gebeuren. Liefst morgen.

Jarenlang was het verkeer tussen Bulgarije en Roemenië aangewezen op één oude roestige brug. Andere overgangen waren er niet over de Donau die de twee landen scheidt. Die ene brug was het symbool van slecht nabuurschap, politieke onwil en politieke onmacht. En van gemiste kansen. Want waren beide landen er eerder in geslaagd een tweede brug te openen dan hadden ze maximaal profijt kunnen trekken van het feit dat het transitverkeer tussen Turkije en West-Europa door de oorlogen niet meer door Joegoslavië kan rijden.

Gisteren brak een nieuw tijdperk aan. De premiers van Bulgarije en Roemenië tekenden een verdrag voor een tweede brug. De Bulgaren bouwen hem, de Roemenen zorgen voor de infrastructuur aan Roemeense kant zodat het vrachtverkeer zo snel mogelijk verder kan naar Hongarije en West-Europa, en de internationale gemeenschap zorgt voor het geld.

De tweede brug is het eerste concrete resultaat van de nieuwe grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa. Bulgarije en Roemenië hebben hun huiswerk net op tijd af gekregen. Morgen en donderdag moeten de internationale donoren van het Stabiliteitspact in Brussel definitief het groene licht geven.

En daarmee zal het veelbesproken Stabiliteitspact voor het eerst zichtbare en concrete dimensies krijgen. Het pact werd vorige zomer met veel tamtam in het leven geroepen in de nasleep van de Kosovo-oorlog. Landen als Roemenië, Bulgarije, Macedonië en Albanië hadden zich – vaak tegen het gevoel van de eigen bevolking in – onvoorwaardelijk achter de militaire inspanning van de NAVO geschaard. Ze verwachten sindsdien een gebaar, zeker nadat Belgrado opnieuw in de ban werd gedaan en Zuidoost-Europa daardoor verder onder druk kwam te staan.

De gedachte van het Stabiliteitspact was simpel: het is beter nieuwe conflicten op de Balkan te voorkomen, dan te reageren als het al te laat is. Grensoverschrijdende economische en politieke samenwerking brengt stabiliteit en welstand en de internationale gemeenschap is bereid voor dat doel diep in de buidel te tasten.

De eerste bijeenkomst, eind juli vorig jaar in Sarajevo, bracht ruim dertig regeringsleiders en tientallen internationale organisaties bijeen. De bijeenkomst werd de `duurste familiefoto' ooit genoemd. De grote afwezige was Joegoslavië, het land waarmee niemand zaken wil doen zolang president Miloševic daar aan de macht is. Na twee dagen van hoogdravende betogen waarbij een enkel land concrete toezeggingen deed (Nederland beloofde een half miljard gulden voor steun aan de Balkan), werd de Duitser Bodo Hombach benoemd tot coördinator van de gezamenlijke inspanning. Er zouden drie `werktafels' komen, voor democratie en rechten van de mens, voor economische samenwerking en voor militaire veiligheid.

Daarna werd het verdacht stil. Hombach had geen budget, geen kantoor en naar het zich liet aanzien ook niet bijster veel zin. Pas laat in het najaar kwamen de `werktafels' aarzelend bijeen. De regeringen in Zuidoost-Europa waren kritisch. Hun historische ervaring met `grootmachten' als de VS, Groot-Brittannïe, Frankrijk en Duitsland stemde cynisch. Bovendien, er waren in Sarajevo mooie woorden gesproken, maar waar bleef het geld, en waar bleef de concrete aanpak? ,,Dat moeten jullie zelf doen. Jullie moeten zelf met concrete voorstellen komen en grensoverschrijdende samenwerking zoeken'', was het antwoord van de functionarissen uit Brussel. Inmiddels was duidelijk geworden dat de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank en de Wereldbank een stevige vinger in de pap zouden hebben.

Aan de verschillende werktafels is de afgelopen maanden hard gewerkt. De tafel voor democratie en rechten van de mens heeft onder leiding van de Hongaar Zsolt Németh een grote hoeveelheid projecten gegenereerd. Bovendien is het zogeheten Szeged-proces op gang gebracht waarbij in het zuiden van Hongarije regelmatig wordt overlegd met de democratische oppositie uit Joegoslavië.

De werktafel voor economische samenwerking, onder leiding van de Italiaan Saccomanni en de Macedoniër Bisjev, heeft in Skopje ook een aantal concrete voorstellen opgeleverd, waarvan de tweede brug over de Donau de meest concrete is. Er liggen ook tal van projectaanvragen om het wegennet en het spoorwegnet in het gebied te verbeteren. Bosnië, dat de meeste ervaring heeft met donorgelden, denkt in Brussel zeker 400 miljoen euro weg te kunnen slepen. Montenegro hoopt op 79 miljoen euro. Bulgarije, Albanië en Macedonië verwachten geld voor een oost-westverbinding door de Balkan.

De Wereldbank, de Europese Investeringsbank en de Oost-Europabank EBRD hebben de projecten van commentaar voorzien. Een dertigtal is klaar voor onmiddellijke uitvoering, mits de financiering er komt. Op de donorconferentie moet het gebeuren.

Althans – voor sommige projecten, want het sinterklaasgehalte van de aanvragen is erg hoog. Na de aanvankelijke stilte lijkt het hele `projectaanvraagnetwerk' in dit deel van de wereld op gang gekomen. Iedere stad wil wel een seminar organiseren om de pers vertrouwd te maken met het Internet, of de minderheden uit naburige landen te ontvangen.

Op de donorconferentie zal voor het eerst concreet zaken worden gedaan. Vorige week is Javier Solana, bij de EU verantwoordelijk voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, benoemd tot een soort supercoördinator die aan EU-zijde – boven Hombach – toezicht houdt op alles en iedereen die zich met het oosten bemoeit. De komende dagen moet blijken of het Stabiliteitspact meer is dan een betrekkelijk los verband van landen en instanties. Of het richting kan geven aan politiek en economisch beleid in het armste deel van Europa. Of het meer is dan een `projectencircus' waarbij het uitgegeven geld veelal weer in eigen zak terug verdwijnt. Met andere woorden: of de bevolking in dit deel van de wereld reden heeft om het schild van cynisme tegenover de `internationale gemeenschap' te laten zakken.