Historie NedCar: vallen en opstaan

De geschiedenis van NedCar is er altijd een geweest van vallen en opstaan. Maar met de komst van DaimlerChrysler bij NedCar lijkt de toekomst er stabieler uit te zien.

Onder DaimlerChrysler schrijft NedCar straks een nieuw hoofdstuk in zijn onzekere bestaan. Onzekerheid is hét kenmerk van de roerige geschiedenis van Nederlands enige personenautofabriek, waarvan het voortbestaan regelmatig aan een zijden draad heeft gehangen.

De geschiedenis van NedCar vindt haar oorsprong in de ontwikkelings- en constructie-afdeling van de Van Doorne's Automobielfabrieken (DAF) in Eindhoven. Op de RAI-autotentoonstelling van 1958 presenteerde de vrachtwagenfabrikant trots de DAF 600, een kleine gezinsauto met een luchtgekoelde tweecilinder boxermotor voorin en achterwielaandrijving. Dé attractie van deze en alle latere DAF personenautomodellen was de standaard gemonteerde continu variabele transmissie, de Variomatic. Dit `pientere pookje' bood uitkomst voor veel automobilisten met schakelangst.

De fabriek in Eindhoven barstte al snel uit haar voegen. In 1965 besloot DAF daarom tot de bouw van een personenautofabriek in het Zuid-Limburgse Born. Voor dit plan sloten Wim en Huub van Doorne een samenwerkingsverband met de Staatsmijnen (het latere DSM), dat tevens een minderheidsbelang in het DAF-concern verwierf. De keuze voor Limburg had veel te maken met de mijnsluitingen. De regering-Den Uyl had er veel geld voor over zoveel mogelijk werkgelegenheid in Limburg in stand te houden.

Om de kosten van de ontwikkeling van nieuwe modellen betaalbaar te houden, deelde DAF de fabriek in 1972 op in een bedrijfswagen- en een personenautodivisie, DAF Car BV. Hierin nam het Zweedse Volvo voor 33 procent deel. Na de oliecrisis verhoogde Volvo in 1975 zijn aandeel tot 75 procent en verdween de naam DAF.

Hoewel de afzet van de Volvo 300- en 400-series geleidelijk aantrok, bleek de basis onder Volvo Car BV al snel te smal. De Nederlandse overheid pompte steeds meer geld in de fabriek, maar het mocht niet baten. Volvo kon de afzet van middenklassers nooit boven de 100.000 à 120.000 per jaar uittillen. Tegelijk kwam vast te staan dat voor het voortbestaan van Volvo Car BV op termijn een minimale jaarproductie van 180.000 auto's een voorwaarde zou zijn. Dit inzicht vormde de kiem voor het NedCar-project: bouw in één fabriek van auto's voor twee merken, elk in aantallen van 90.000 tot 100.000 per jaar.

In 1991 richtten Volvo Car, Mitsubishi en de Nederlandse staat NedCar op. De drie aandeelhouders investeerden gezamenlijk ruim 3 miljard gulden. In plaats van een zelfscheppende autofabriek werd de 6.000 werknemers tellende onderneming een assemblagebedrijf van Volvo's en Mitsubishi's, vorig jaar in totaal 262.000 stuks. Februari vorig jaar trok de staat zich terug uit de joint venture en werd het overheidsaandeel verdeeld over Volvo en Mitsubishi. Toen Volvo eind vorig jaar de personenautodivisie verkocht aan Ford, kregen de Japanners het recht de partner uit te kopen. Nu DaimlerChrysler een belang heeft genomen in Mitsubishi, maken de Japanners van die mogelijkheid gebruik. De kans is derhalve niet denkbeeldig dat na de DAF Variomatic, kleine Volvo's en Mitsubishi's straks een Smart-vierzitter in Born van de band rolt.