Greenaway's stokpaardjes

Die met het hondje dat in de knuppel van de sluisbrug een rood balletje ziet om mee te spelen, dat vindt Peter Greenaway wel een aardige commercial – al was het maar om de sophistication die eruit spreekt: twee afzonderlijke verhaallijntjes komen samen in één apotheose. Daaruit zou kunnen blijken dat in de reclame-industrie een nieuwe filmtaal wordt ontwikkeld. Het valt hem trouwens wel vaker op dat reclamespotjes voor abstracte producten heel wat interessanter zijn dan reclame voor tastbare artikelen. De fantasie van de makers komt blijkbaar eerder op gang als het om een verzekeringsmaatschappij gaat dan als er een pot jam moet worden aangeprezen.

Peter Greenaway, de Engelse filmmaker die zichzelf graag beschouwt als de meester van de intellectuele cinema, hield vrijdagmiddag in een volle aula van de Film & Televisie Academie in Amsterdam een inleiding voor de Vereniging van Commercial Producenten. Bijna twee uur lang bereed hij zijn stokpaardjes: weg met de film als verhalenverteller, op naar een nieuwe beeldentaal. Slechts bij vlagen ging het over commercials. En niemand voelde na afloop de neiging met hem in discussie te gaan. Hij maakt nu eenmaal niet de indruk veel tegenspraak te dulden.

Sinds negen maanden woont Greenaway in Amsterdam. Hij kijkt hier niet vaak naar de televisie, zegt hij, maar zelfs hem is opgevallen dat dat spotje met die in een strak paars tenuetje gehulde kunstschaatser (Delta Lloyd) erg vaak wordt uitgezonden. Een bevreemdend filmpje vindt hij het, en bovendien is het een teken des tijds dat zoiets zó vaak wordt vertoond terwijl een meesterwerk als 2001, A Space Odyssey zelden of nooit meer te zien is op een bioscoopdoek. Vraag echter niet wat het één met het ander te maken heeft; hier spreekt een man die er een geheel eigen soort logica op na houdt.

En toch is hij geen vijand van de reclame. Alleen al om pragmatische redenen vindt hij dat er volop reden is de reclamewereld dankbaar te zijn. Veel bioscoopfilms worden tegenwoordig mede-gefinancierd door de televisie – en de televisie wordt mede-gefinancierd door reclame. Hooguit zou hij willen dat de reclame die unieke, ultrakorte vorm van een commercial vaker zou aangrijpen om af te wijken van de traditionele verhaaltjesvertellerij. Die leidt immers maar al te vaak tot stompzinnigheden. Een moeder die de haartjes van een baby knipt en dan per ongeluk in een oortje knipt omdat het licht uitvalt – kom nu toch! Een nachtwaker in een museum die vergeet naar de bewakingsmonitoren te kijken omdat zijn koffiemelk zo lekker is – nou jááá! In een bioscoopfilm zou zulke flauwekul meteen worden afgestraft, zegt Greenaway. En dan: waarom zijn bloed en urine in de reclame altijd blauw?

Maar of hij nu de aangewezen figuur is voor concreter commentaar, laat Peter Greenaway maar liever in het midden. Nadat hij in 1985 de film A Zed and two Noughts had gemaakt, werd hij benaderd door twee heren van een Brits bureau die daarvan diep onder de indruk waren. Ze vroegen hem de beeldentaal uit die film toe te passen in drie reclamefilmpjes voor de cd-spelers van Philips. De cineast was gevlijd en dacht ook verlekkerd aan zijn bankrekening. Achteraf stelt hij echter vast dat Philips een typisch Nederlands bedrijf is: heel goed in innovaties, maar niet bij machte die ook met een wereldveroverende krachtsinspanning door te voeren. Nu ja, bij nader inzien moet hij óók wel toegeven dat zijn filmpjes veel te gecompliceerd waren geworden. In drie keer dertig seconden had hij geprobeerd de visuele ideeën van twee uur film te persen.

Om kort te gaan: van de drie Philips-spotjes is er uiteindelijk maar één uitgezonden – en dat nog maar één keer. ,,Ik ben dus totaal ongeschikt voor het regisseren van commercials,'' zei hij dan ook. ,,Ik zou ze veel te abstract maken.''