Een monument voor de slavernij

Si monumentum requires, circumspice (Als gij een monument zoekt, kijk dan om u heen'), besluit H.L. Wesseling zijn column in deze krant van 23 maart jl.

Met deze plechtige uitsmijter besluit hij een elegante verhandeling over monumenten, en specifiek een monument voor de slavernij. Hij vindt zo'n gedenkteken een sympathiek idee, al acht hij een museum of studiecentrum een beter idee. Maar wat er ook moge komen, het kan niet het Nederlandse kabinet zijn die dit opricht, meent Wesseling: het initiatief moet uitgaan van de slachtoffers, de nazaten van de slaven.

Met zijn column beoogt professor Wesseling de discussie een nieuwe impuls te geven. `Enige tijd geleden' was er wat om te doen, maar sindsdien, stelt hij, `hebben we er niet veel meer van gehoord'. Inderdaad was vorige zomer in de media veel te doen rond dit thema; wellicht dat Wesseling onder meer de bijdrage van een onzer in deze krant in gedachten had (`Monument slavernij is zinvol gebaar', 30 juni 1999). Deze bijdrage verscheen naar aanleiding van de publicatie van de bundel `Het verleden onder ogen'. Herdenking van de slavernij. Bij de presentatie van deze onder auspiciën van het Prins Claus Fonds gepubliceerde bundel bevestigde minister Van Boxtel dat de regering bereid is bij te dragen aan het totstandkomen van een monument ter herdenking van de slavernij. Een opmerkelijke stap; een eerbewijs aan de slachtoffers van de slavernij, een mea culpa van de Nederlandse natie.

Sindsdien lijkt het debat in de landelijke media en politiek inderdaad verstomd; een nieuwe golf van aandacht rond de volgende eerste juli (jaarlijks vieren Caraïbische Nederlanders op die dag de `Emancipatie', naar de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863) is echter voorspelbaar. In de inmiddels talrijke allochtone media – geen multicultureel drama – is het onderwerp de afgelopen tijd echter voortdurend aan de orde geweest.

Aan Wesselings terechte voorkeur voor initiatieven vanuit de kring van nazaten van de slaven wordt daaraan voortdurend tegemoetgekomen. Een groot aantal Surinaamse, Antilliaanse en ook Afrikaanse groeperingen heeft zich inmiddels georganiseerd in een Stichting Nationaal Monument Slavernijverleden, dat is erkend als gesprekspartner van de Nederlandse overheid. Aan de initiatieven uit deze kring zal het niet liggen. Geen wonder. Waar Wesselings Si monumentum requiris, circumspice blijk geeft van begrip en historisch besef, dienen Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders nogal eens het `Wij zijn hier omdat jullie ons dáár gebracht hebben' te laten horen aan minder erudiete – en wellicht meer xenofobe – autochtone Nederlanders.

Juist daarom is het voor de nazaten van de slaven zo belangrijk dat het kabinet hun streven naar een vorm van erkenning ondersteunt. Het kabinet-Kok heeft dat terecht ingezien. Bijgestaan door een door Van Boxtel en staatssecretaris Van der Ploeg geïnstalleerd Comité van Aanbeveling werkt het kabinet nu aan de spoedige totstandkoming van een monument. Uitdrukkelijk, kunnen wij Wesseling geruststellen, niet over de hoofden van de nazaten van de slaven heen, maar in nauw overleg met de Stichting Nationaal Monument Slavernijverleden. Op de eerste juli van dit jaar zal het kabinet vermoedelijk het waar, hoe en wanneer van het beoogde monument, waaraan zij een substantiële bijdrage zal leveren, bekend kunnen maken.

Opnieuw kunnen wij Wesseling geruststellen: het gaat zeker niet alleen om een gedenkteken in de traditionele zin, maar ook om een combinatie van museale, educatieve en mogelijk onderzoeksfuncties. Nogmaals, en mét Wesseling, die zich gelukkig niet heeft laten meeslepen in het her en der populaire geschamper over `excuuscultuur': een zinvol gebaar.

Ir. G.R. Wawoe is lid van de Raad van State, prof.dr. G.J. Oostindie hoogleraar Caraïbische Studies. Zij zijn voorzitter, respectievelijk lid van het Comité van Aanbeveling Nationaal Monument Slavernijverleden.