De revolutie beminnelijk verpakt

Wetenschappelijke auteurs die op hun vakgebied meer dan één meesterwerk voortbrengen zijn in Nederland betrekkelijk zeldzaam. De Amsterdamse jurist en oud-rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam A.D. Belinfante, die vorige week donderdag, 88 jaar oud, overleed, had er maar liefst twee op zijn naam staan. Een groot meesterwerk en een verrukkelijk kleiner boek, dat in zijn soort ook een meesterwerk is.

Belinfante's omvangrijke studie over de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (In plaats van Bijltjesdag, Assen, 1978) is een magistraal standaardwerk over de grijze bladzijden uit de geschiedenis van de Nederlandse rechtsstaat van de jaren vijftig, dat de laatste maanden bij het werk van de commissie-Van Kemenade (restitutie `joodse tegoeden') weer vaak geraadpleegd is. Het boek is een op zorgvuldige research steunend geschiedwerk, dat in hoge mate met het professionele bestaan van de auteur verbonden is. Als gevolg daarvan heeft het hier en daar een persoonlijk karakter, dat dergelijke boekwerken zelden hebben.

Het knappe is dat het persoonlijke aspect geen afbreuk doet aan de objectiviteit van het boek, maar juist informatie aan onze kennis van het openbaar bestuur toevoegt. Tijdens de jaren van de Bijzondere Rechtspleging, nog voordat hij hoogleraar werd aan de Universiteit van Amsterdam, was Belinfante raadadviseur op het ministerie van Justitie, als hoedanig hij niet alleen mede vorm gaf aan de wetgevende voorbereiding van het beleid van de minister van Justitie, maar jarenlang ook een van de belangrijkste spinnen in het ambtelijke web was.

In zijn Geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging, waaraan hij zich na zijn rectoraat van de universiteit zette, keek Belinfante met openhartigheid en discretie op die periode terug. Ten opzichte van het gratiebeleid was hij tot discretie gehouden voorzover het om het persoonlijk aandeel van de koningin in de beschikkingen over het gratiebeleid ging, maar dat belette hem niet de feiten te laten spreken.

Hij had niet alleen het voordeel van de herinnering aan eigen betrokkenheid van een kwart eeuw geleden, maar ook van de beschikbaarheid van intussen vrijgegeven officiële stukken.

Zo ontzenuwde Belinfante het verhaal dat de socialist mr. L. Donker in 1952 minister van Justitie was geworden onder voorwaarde dat hij bereid was aan koningin Juliana de gratieverlening voor de Duitse oorlogsmisdadiger Lages voor te leggen. Donker was er volgens Belinfante de man niet naar om blindelings toezeggingen te doen, ook niet onder de belofte van een ministerszetel. Donker had de gewoonte om over moeilijke beslissingen eerst te praten met mensen die hij kende en vertrouwde.

Zijn beslissingen waren mede gebaseerd op zulke gesprekken, maar het waren altijd zijn eigen beslissingen. Belinfante was een van de ministeriële klankborden aan wie Donker de vraag voorlegde hoe hij vond dat het met Lages moest gaan. ,,Ik heb toen gezegd, dat naar mijn mening er maar één en dan doorslaande reden voor het verlenen van de gratie was: ik zou na meer dan twee jaar talmen niet de moed opbrengen om de executie bij te wonen, wat ik twee jaar tevoren zonder moeite gedaan zou hebben.'' Donker gebruikte dat argument ook in zijn antwoord aan de Tweede Kamer: het was met een behoorlijke rechtstoepassing in strijd een veroordeelde, na hem meer dan twee jaar in onzekerheid te hebben gelaten over zijn lot, ter dood te brengen. De minister betreurde het ,,in hoge mate dat (hij) gedwongen was om met deze tijdsfactor rekening te houden''. Belinfante prikte ook de mythe door dat koningin Wilhelmina aan geen enkele gratieverlening van de doodstraf wilde meewerken, maar dat koningin Juliana daarentegen nooit een executie heeft goedgevonden. In 1947 (regeringsperiode Wilhelmina) werd aan 27 ter dood veroordeelden gratie verleend. Van de 40 executies van de doodstraf hebben er 18 plaatsgevonden tijdens de regeringsperiode van koningin Juliana.

Enkele maanden geleden sprak ik met professor Belinfante (eens professor, altijd professor) bij hem thuis aan de Van Nijenrodeweg in Amsterdam/Buitenveldert over enkele thema's uit zijn Beginselen van Nederlands staatsrecht (het kleine meesterwerkje) en over de invloed die Krabbe en Kranenburg, leermeesters uit een vorige generatie, op zijn constitutionele inzichten hadden gehad. Belinfante was een onorthodoxe denker, die over de rol van het koningschap in het Nederlandse staatsrecht tamelijk radicale opvattingen had. Hij drong zijn studenten die radicaliteit in het geheel niet op, maar wie zijn Beginselen (8ste druk) aan close reading onderwierp, ontdekte inderdaad de volgeling van Krabbe. Belinfante gaf niet veel voor de restanten van de koninklijke macht en stelde zich op het standpunt dat Thorbecke in 1848 een grotere opruiming onder de koninklijke bevoegdheden had gehouden dan de traditionele staatkunde en de daarmee verbonden staatsrechtwetenschap sindsdien hadden willen toegeven. De invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid betekende dat de macht van de koning in 1848 in feite naar het parlement verplaatst was en dat de koning de macht goeddeels was ontnomen.

Omdat men dat een wel wat erg hard gelag voor de koning vond, werd de werkelijkheid enigszins omzwachteld om de klap te verzachten. ,,Deze zwaai was voor Nederlandse begrippen wel wat fors en men heeft toen aan de constitutionele Koning (dus in feite aan de ministers) een deel van de vroegere machts des Konings gelaten. Zo werd die vroegere macht niet afgeschaft, maar uitgehold. De revolutie'', aldus Belinfante, ,,werd beminnelijk verpakt''.

Ik vroeg hem of het herlezen van die belinfantiaanse ironie waarmee zijn Beginselen vol staat hem nog evenveel plezier verschafte als waarmee hij die destijds moet hebben opgeschreven. Och, zei hij bescheiden, daar moest ik niet te veel achter zoeken. ,,Soms heeft een schrijver wel eens een goede dag, dan lukt het schrijven hem beter dan op andere dagen. Veel meer is het niet.'' Zijn ogen twinkelden als vanouds en zeiden: ,,Geloof me maar niet.''