De oliecrisis

DE POLITIEK IS terug in de oliewereld en het gaat er meteen ruw aan toe. Deze week vergaderen de ministers van de OPEC, het eens roemruchte kartel van olieproducerende landen dat de geïndustrialiseerde wereld in de jaren zeventig en tachtig de stuipen op het lijf joeg met telkens hogere olieprijzen. Nu speelt de OPEC een matigende rol. De bijeenkomst in Wenen moet de internationale olieprijzen terugbrengen naar een niveau dat voor de grote Westerse landen geen bedreiging vormt voor oplopende inflatie of – nog erger – leidt tot benzineschaarste.

De afgelopen anderhalf jaar zijn de olieprijzen omhoog geschoten van 11 naar 34 dollar per vat. Deze spectaculaire prijsstijging had plaats zonder ideologische oorzaak: er was geen oorlogsdreiging in het Midden Oosten en er was geen sprake van anti-Westers militantisme. Maar de OPEC heeft zijn macht over de markt herontdekt na enkele desastreus uitgevallen besluiten. Zo besloten de OPEC-landen in november 1997 hun productie te verhogen. Onvoorzien was dat korte tijd later de Aziatische crisis in volle hevigheid uitbrak, waardoor de vraag naar olie inzakte. De wereld raakte overspoeld met olie en de prijzen kelderden. Twee pogingen van de OPEC om samen met Mexico en Noorwegen (geen leden van het kartel) de prijzen te stabiliseren, mislukten. Pas begin 1999 werd er een akkoord over productiebeperking bereikt dat beklijfde.

DAARNA LIEP HET anders dan de bedoeling was. Er `verdwenen' miljoenen vaten olie die wel werden geproduceerd, maar niet op de markt kwamen. De Westerse landen schatten de vastberadenheid van de OPEC om zich aan hun afspraken te houden, verkeerd in. De quota werden nauwelijks ontdoken. De nieuwe president van Venezuela, Hugo Chavez, daagde de Amerikanen uit door ostentatief de Venezolaanse productie te beperken. In verband met de millenniumwisseling werden er extra voorraden aangehouden en vervolgens brak begin dit jaar een ijzige winter uit in het noordoosten van de Verenigde Staten. De olieprijs schoot door het dak.

De Verenigde Staten sloegen op tilt. De vooruitzichten van olietekorten, klagende automobilisten over hoge benzineprijzen of, nog erger, files bij de pomp en afgesloten airco's in de zomer zijn wel het laatste wat Washington zich in een verkiezingsjaar kan wensen. Dus begonnen de Amerikanen druk uit te oefenen op traditionele OPEC-bondgenoten zoals Saoedi-Arabië en Koeweit, en op buurland Mexico. Iran en Libië werden gepaaid met toezeggingen het Amerikaanse sanctiebeleid te versoepelen. Het was alsof de hoogtijdagen van de oliediplomatie uit de jaren zeventig en tachtig waren teruggekeerd. Opmerkelijk genoeg houdt de Europese Unie zich afzijdig terwijl ook Europese consumenten getroffen worden. Anders dan in de VS zijn hoge benzineprijzen in Europa geen onderwerp waar politici zich druk om maken. Verder wil de EU geen heibel in zijn relaties met het Midden-Oosten en Zuid-Amerika ligt buiten het Europese invloedsgebied.

WERKT DE HARDE Amerikaanse hand? Ja. Mexico, Saoedi-Arabië, Koeweit en Venezuela zijn inmiddels voorstanders van productieverhoging. Iran en Libië liggen dwars maar dat zal te maken hebben met de wens meer Amerikaanse concessies los te krijgen. Saoedi-Arabië is, zoals altijd, de cruciale partij. Laveren tussen de druk van de Amerikanen, de oliemaatschappijen en oplevend militantisme in OPEC-kringen is de Saoediërs wel vertrouwd. Hier draait het deze week om Wenen. Maar stabiele olieprijzen zijn voorlopig niet in zicht.