Bladeren

Foreign Affairs

Het zijn de banken die de Aziatische crisis hebben veroorzaakt, en niet de institutionele beleggers, de speculanten en de hedgefunds. Dat zijn financiële ondernemingen die gespecialiseerd zijn in het vermijden van risico's en die daarom de volatiliteit van de financiële markt eerder verkleinen dan vergroten. Martin Bailey, Diana Farrell en Susan Lund betogen in Foreign Affairs dat de leiders van de opkomende markten de hedgefunds ten onrechte als kop van Jut gebruiken en dat ze zich beter kunnen afvragen hoe ze hun land kunnen begeleiden bij de overgang van bankleningen naar lenen op de kapitaalmarkt. Bailey is voorzitter van de raad van economische adviseurs van president Clinton, en zat voordien in de top van McKinsey & Co. Beide andere auteurs zijn werkzaam bij McKinsey.

Thailand, de eerste brandhaard van de Aziatische crisis, had in 1995 een bedrag van 25,5 miljard dollar aan buitenlands kapitaal, voor bijna 75 procent in de vorm van bankleningen. De overige 25 procent bestond uit beleggingen in waardepapieren, inclusief die van de hedgefunds, en uit directe investeringen van buitenlandse ondernemingen. Deze groepen bewaarden bij het begin van de crisis hun kalmte, in tegenstelling tot de banken, en bleven investeren, ook na de devaluatie van de Thaise munt. Eenzelfde patroon werd zichtbaar in de andere Aziatische landen en in Rusland.

De rode draad in het patroon bestaat uit het feit dat leningen van buitenlandse banken veel meer volatiliteit vertonen dan beleggingen. Deze instabiliteit is inherent aan het karakter van het huidige internationale bankieren, dat vaak de vorm heeft van interbancaire leningen op korte termijn in plaats van financiering op lange termijn. Eind 1997, vlak na het begin van de crisis, had 55 procent van alle buitenlandse bankleningen in de wereld een vervaltermijn van minder dan een jaar. De inheemse banken die deze leningen ontvingen, gebruikten ze voor de financiering van leningen met lange termijn.

Natuurlijk doen banken dat niet omdat ze zo irrationeel of roekeloos zijn, maar omdat ze de concurrentie voor willen zijn. Dat komt omdat ze de kleiner wordende winstmarges in de jaren negentig probeerden te vergroten door veel te lenen aan de opkomende markten die een hogere rente wilden en konden betalen dankzij de uitbundige economische groei. De Bank for International Settlements versterkte die trend ongewild door het voor banken goedkoper te maken om aan de banken van de opkomende markten te lenen dan aan grote ondernemingen.

Een andere factor die de trend bekrachtigde was, paradoxaal genoeg, de verbetering van technieken voor risicomanagement, als reactie op de verliezen in de jaren tachtig in Latijns Amerika. Dat betekende dat de banken de geldkraan sneller dichtdraaiden dan ze voordien gewend waren. Institutionele beleggers gaan anders met risico om dan banken. Een van de redenen daarvoor is dat ze met het geld van uiteenlopende groepen aandeelhouders werken en niet met hun eigen geld.

Daar kwam bij dat juist de zwakste banken, vooral de Japanse, het meeste belang hadden bij lenen aan opkomende markten. Omdat ze op de thuismarkt bijna verdronken in een stortvloed van slechte schulden en weinig verdienden aan binnenlandse investeringen werden ze de grootste geldschieters van de landen in Zuidoost-Azië, op de voet gevolgd door grote Franse en Duitse banken.

De hedgefunds beheren de helft minder waardepapieren dan de banken. Vergeleken bij institutionele beleggers zijn ze zelfs heel klein. Waar de instiutionele beleggers wereldwijd een bedrag van 25 biljoen dollar beheren, staat er bij de hedgefunds slechts een bedrag van hooguit een biljoen dollar op het spel. Nee, het waren niet de hedgefunds die de crisis veroorzaakten, het waren de andere marktspelers die met hun kuddegedrag de markt op stelten zetten. Want het wezen van de hedgefund-activiteiten is juist dat ze posities kiezen waar de gemiddelde belegger niet eens op komt, vaak tegen de stroom van de markt in. In plaats van de activiteiten van de hedgefunds te willen reguleren en beperken zouden de beleidsmakers zich beter kunnen toeleggen op het verbeteren van de informatie die de beleggers gebruiken bij het nemen van hun beslissingen.

The Economist

De werkwijze van de institutionele beleggers, kopen bij stijgen en verkopen bij dalen van aandelen, vergroot de volatiliteit. Ook de tegenstrijdigheid van de grote hoeveelheden informatie over aandelenkoersen en bedrijven bevordert volgens sommige theoretici de volatiliteit. The Economist gelooft daar niet zo in, maar denkt wel dat de onzekerheid van veel beleggers een grotere rol speelt dan vroeger. Een aanwijzing daarvoor is het verschijnsel dat elk aandeel van elke onderneming die genoteerd stond in Wall Street vorig jaar eens per twaalf maanden van eigenaar verwisselde. In 1981 gebeurde dat eens per drie jaar, en in 1974 eens per zes jaar.

Die onzekerheid kan volgens het blad betekenen dat beleggers minder vertrouwen hebben in de betrokken bedrijven. Op gezag van KMV, een onderneming die zich specialiseert in onderzoek naar krediet, schrijft het blad dat de kans dat Amerikaanse bedrijven failliet gaan de laatste anderhalf jaar is verdubbeld. Dat de aandelen in diezelfde periode omhoog bleven gaan, komt doordat zoveel ondernemingen op grote schaal hun eigen aandelen hebben teruggekocht, zij het met geleend geld. De schuldenlast van het Amerikaanse bedrijfsleven is vorig jaar gestegen met 12 procent, de snelste stijging sinds 1985. Groeiende volatiliteit hoeft niet per definitie uit te monden in een economische crisis, maar ging wel vooraf aan de beurscrises van 1929 en 1987, concludeert The Economist.

www.economist.com