Amerika inhalen?

Ongeveer veertig jaar geleden bevond de Sovjet-Unie zich in een staat van euforie. Met de spoetnik en de eerste bemande ruimtevlucht had zij, dacht zij, haar superioriteit bewezen, terwijl de Verenigde Staten niet eens in staat bleken een invasie van Cuba tot een goed einde te brengen.

Dit optimisme vond zijn weerslag in het nieuwe programma van de communistische partij, dat in die tijd aangenomen werd. Daarin stond dat de Sovjet-Unie omstreeks 1980 de Verenigde Staten, wat betreft staal- en landbouwproductie, zou inhalen. Nu, we weten wat er van die grootspraak terechtgekomen is. De Sovjet-Unie bestaat niet meer.

Voorzover de Europese staatshoofden en regeringsleiders die vorige week in Lissabon bijeen waren, nog iets van dit recente stuk geschiedenis wisten, hebben zij er blijkbaar geen waarschuwing in gezien. De Europese Unie moet, zo besloten zij de ,,meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld'' worden.

De meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld – dat betekent dus: de Verenigde Staten inhalen! En daarbij werden termijnen genoemd die de helft (en korter) zijn van de twintig jaar die de Sovjet-Unie in 1960 dacht nodig te hebben om dit doel te bereiken.

Er zijn genoeg redenen om sceptische kanttekeningen te plaatsen naast de streefcijfers en deadlines van Lissabon – temeer nu de Amerikaanse economie zich, tot verbazing van de eigen topeconomen, in een fase bevindt waarin de meest optimistische verwachtingen verre overtroffen worden. Laten we er dus mee volstaan te zeggen: Amerika inhalen? Geluk gewenst!

Dat geluk heeft Europa zeker nodig nu de bewindslieden in Lissabon nog eens verzekerd hebben dat de kenniseconomie, die zij beschouwen als het geheim van het Amerikaanse succes, in Europa tegelijkertijd ,,hechtere sociale samenhang'' moet waarborgen. Een hele opdracht – en dat terwijl er in Amerika stemmen opgaan (die van Edward Luttwak bijvoorbeeld) die een verband leggen tussen de vlucht die Internet genomen heeft en de toeneming van de misdaad.

Wie, zoals de vijftien van Lissabon, het thema `sociale samenhang' aanroert, roert het thema `politieke stabiliteit' aan. Met andere woorden: de grote veranderingen die de Europese Unie in de Europese economie wil bevorderen, raken onmiddellijk de politieke stabiliteit in Europa. Is het mogelijk het ene te bereiken zonder het ander in gevaar te brengen?

De `nieuwe economie' zoals die zich op dit ogenblik in de Verenigde Staten manifesteert, kenmerkt zich voorlopig door twee verschijnselen: het is volstrekt onzeker waarheen zij zich beweegt (ook de economische goeroes weten dat niet), en zij ontwikkelt zich in een razend snel tempo.

Nu zijn onzekerheid en snelle ontwikkeling twee factoren waarop politieke instabiliteit gedijt. De meeste mensen willen zekerheid, en de meeste mensen zijn huiverig voor snelle veranderingen. In Amerika, een reusachtig continent met één beschaving en een zeer mobiele samenleving, is dit alles nog te verstouwen zonder de politieke stabiliteit op het spel te zetten. Maar in Europa?

Anders dan de Amerikanen schuwen de Europeanen eerder snelle veranderingen, zoals zij ook de smeltkroes schuwen die Amerika van het begin af aan is geweest. De vele volken en de vele talen van Europa zijn evenvele remmen op die veranderingen. Die veranderingen zijn weliswaar onvermijdelijk – zij stoppen niet voor nationale grenzen – maar dat betekent niet dat zij geen politieke reacties zullen wekken.

Eén voorbeeld: Duitsland heeft, wil het niet achterraken in de kenniseconomie, 20 à 30.000 nieuwe informatie- en computerdeskundigen nodig. In Duitsland zelf zijn ze niet te vinden ondanks vier miljoen werklozen. Maar in India wél. Bondskanselier Schröder wil dan ook de nodige aantallen deskundigen uit India en andere landen toelaten.

Natuurlijk grote weerstand daartegen – in de eerste plaats bij de vakbonden (die zich ook in Duitsland doen kennen als de conservatieve kracht van vandaag). Maar ook de CDU blijft niet achter en heft de leus aan: Kinder statt Inder, het feit negerend dat er een generatie voorbijgaat alvorens kinderen computerdeskundigen kunnen worden, en de race in de kenniseconomie is al aan de gang.

De immigratie van hoogopgeleiden in zulke aantallen schept nog andere problemen. Tot dusver konden gastarbeiders min of meer in getto's weggestopt worden. Dat kan met hoogopgeleiden niet. Met andere woorden: de middenstandswijken zullen geconfronteerd worden met de problemen waarmee de zogenoemde achterstandswijken al jaren te maken hebben.

Laat niemand beweren dat deze problemen niet ook politieke gevolgen zullen hebben. En laat niemand geloven dat het hier om een typisch Duits probleem gaat. Misschien dat Duitsland bij de modernisering van zijn economie wat achter is bij andere Europese landen, maar in beginsel zal ieder land dat niet wil achterblijven in de vaart van de kenniseconomie, met dergelijke problemen te maken krijgen.

Met dergelijke problemen – want geen enkel Europees land is een kopie van een ander. Elke nationale samenleving zal op haar manier reageren op de gevolgen van de kenniseconomie. In zeker zin kan het verschijnsel Haider beschouwd worden als een typisch Oostenrijkse reactie daarop. Zoals Bart Tromp schrijft in het laatste nummer van Socialisme & Democratie:

Haider speelt in op ,,de wijd verbreide gevoelens van onzekerheid die voortvloeien uit het wegvallen van grenzen, geografische, economische, culturele. Deze processen van mondialisering hebben reële kosten, die onevenredig neerkomen op bepaalde delen van de bevolking. De traditionele politieke partijen, niet alleen in Oostenrijk, miskennen dit.'' Dus door Oostenrijk te straffen om Haider zijn de andere Europese landen niet af van het probleem waarop hij een Oostenrijkse reactie is.

Hoe anders reageren de Verenigde Staten, die Europa wil inhalen, op dit probleem! Anders – omdat zij anders zijn. Vrijwel moeiteloos hebben zij talloze Aziaten geabsorbeerd (die nu een groot deel uitmaken van de universitaire bevolking) en zijn zij bezig met de absorptie van Latijns-Amerikanen. ,,Wettelijke immigratie is een teken van nationaal succes'', zei onlangs de conservatieve presidentskandidaat George Bush. Welke Europese politicus – conservatief of progressief – zegt hem dit na?