Met de procedure tegen Peper is niets mis

Rotterdamse ambtenaren die anonieme verklaringen hebben afgelegd in de zaak-Peper vergelijken met NSB'ers, zoals sommigen doen, is een grove belediging voor die ambtenaren en een infame bagatellisering van het leed van nazi-slachtoffers, vindt Hendrik Kaptein.

Wat Peper c.s. deden was misschien niet netjes, maar anoniem klikkende ambtenaren en hun handlangers in de onderzoekscommissie zijn niet beter dan NSB'ers, stelt Hoefnagels in NRC Handelsblad van 23 maart. Eerder deed Korthals Altes zijn best om Peper en de rechtsstaat te beschermen tegen onrechtmatige bewijsvergaring en veroordeling. Als vaker vielen grote woorden. Zo was de balans tussen rechtsstaat en democratie weer eens zoek. Alleen al juridisch klopt niets van die kritiek. De ambtenaren en de onderzoekscommissie hebben zich niet schuldig gemaakt aan verboden anonimiteit. Laat staan aan verklikken.

Om te beginnen waren Peper c.s. voor de onderzoekscommissie geen verdachten, maar overheidsdienaren wier handelen administratief werd onderzocht. Straf wordt alleen opgelegd door de onafhankelijke rechter. Voor de strafrechter zijn anonieme getuigenissen niet zonder meer toegestaan, omdat verdachten zich tegen onbekende getuigen niet goed kunnen verdedigen. Dat is des te belangrijker naarmate ernstiger strafrechtelijke gevolgen op het spel staan. Peper c.s. hing helemaal geen straf boven het hoofd.

Zelfs in het strafrecht is anonimiteit niet verboden als het gaat om anonieme informatie op grond waarvan bewijs wordt gevonden dat inhoudelijk onafhankelijk is van die informatie. Zo is er niets mis met een strafrechtelijke veroordeling wegens valsheid in geschrifte op grond van anoniem aangeleverde valse stukken. Zolang bewijs niet berust op enige anonieme getuigenis als zodanig is er niets aan de hand.

Precies zo zit het met de feiten tegen Peper c.s. De onderzoekscommissie en de gemeenteraad zijn niet tot hun conclusies gekomen op grond van anonieme verklaringen van ambtenaren als zodanig. Hooguit hebben die verklaringen de onderzoekscommissie op sporen gezet die leidden tot (het ontbreken van) bonnen, bonnetjes en andere bescheiden. Die bezwarende feiten zijn volstrekt onafhankelijk van anonieme ambtenarenverklaringen en al dan niet kleinburgerlijk ressentimentele motieven daartoe. Peper c.s. hoefden zich niet te verdedigen tegen anonieme getuigenissen, alleen tegen schriftelijke stukken. Dat wezenlijke verschil verliezen Hoefnagels c.s. uit het oog.

Waarom anonimiteit? Ook de onderzoekscommissie wist van de mede door Peper geschapen stadhuiscultuur van angst en zwijgen. Zwijgende ambtenaren waren dan ook lang niet altijd medeplichtig aan wangedrag van Peper c.s., zoals zo vaak gesuggereerd. Die ambtenaren waren zelf niet zo gek dat zij om foute bonnen hun baan op het spel zetten. Gegeven die cultuur en gegeven de onmogelijkheid om op andere manieren ernstige feiten boven water te krijgen, kon de commissie in alle redelijkheid anonimiteit voor informanten bieden.

Verwijten van verklikken en uitlokking daarvan door de onderzoekscommissie zijn even onzinnig. Verklikken is: het uitleveren van weerlozen aan een lot dat zij niet verdienen. Verklikken heeft te maken met wanverhoudingen tussen wat mensen doen of zelfs zijn (de joden in de oorlog) en de `straf' die daarop wordt gesteld, zoals de heldenmoed van verzetsmensen werd beloond met marteling en dood. Verklikken is verbreking van solidariteit, schending van vertrouwelijkheid als schild tegen een kwade buitenwereld.

Autoriteiten inlichten over machtsmisbruik ten koste van gemeenschapsgeld, is juist bevestiging van maatschappelijke solidariteit.

Wie dat zonder goede reden nalaat, is mede schuldig aan misstanden. Wie ook dat verklikken noemt, bagatelliseert wangedrag en getuigt van een merkwaardige opvatting van de overheid en het algemeen belang. Die zijn dan blijkbaar de vijand. Zwijgen over misstanden is geen solidariteit, maar samenspanning van burgers onderling tegen het algemeen belang en dus tegen alle andere burgers. Dat is dus precies wat de ambtenaren uiteindelijk niet hebben gedaan zodra zij zich zonder gevaar konden uitspreken.

Hoefnagels' vergelijking van Rotterdamse ambtenaren met NSB'ers is dan ook een grove belediging voor die ambtenaren en een infame bagatellisering van het leed van nazi-slachtoffers. Natuurlijk moeten de brede rivieren van de democratie worden ingedamd door de oevers van de rechtsstaat, maar niemand heeft wat aan juristen aan de kant (van Peper) die hun vak èn hun fatsoen niet verstaan.

Waar ging het nu eigenlijk om? Wat hebben Peper c.s. zelf nu eigenlijk verkeerd gedaan? Gradener, Hurenkamp en eerder al anderen stelden dat er geen duidelijke maatstaven zijn voor uitgaven van bestuurders (NRC Handelsblad, 25 maart).

Maar grenzen zijn toch ten minste te vinden in het Wetboek van Strafrecht. Die gelden voor iedereen, ook voor topbestuurders. Niet voor niets begint het openbaar ministerie strafrechtelijk onderzoek tegen Peper c.s.

Al is het de vraag of strafvervolging zin heeft. Vervolging zou achterwege kunnen blijven uit (wettelijk vastgelegde) opportuniteit, op gronden ontleend aan het algemeen belang. First things first: het OM heeft wel wat anders te doen. Zo blijven te veel geweldsmisdrijven nog steeds onbestraft, mede ten koste van de slachtoffers van die misdrijven.

Peper c.s. hebben alleen het algemeen belang geschaad. En al kon de onderzoekscommissie formeel geen straffen uitdelen, Peper c.s. moeten hun deel toch al gekregen hebben door de enkele openbaarmaking van volstrekt rechtmatig verkregen en zeer bezwarende feiten.

Bovendien betekent uitblijven van strafvervolging niet dat Peper c.s. onschuldig zijn. Hooguit dat zij zuiver strafrechtelijk voor onschuldig moeten worden gehouden.

Dr. H.J.R. Kaptein is verbonden aan de Juridische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam.