Lieve Jezus, zuster, ik schijt in me broek

Als jongen van vijftien moest ik aan mijn hoofd worden geopereerd. Dat was niet mis. De dokter hoefde bij die ingreep maar één keer de verkeerde kant op te kijken en ik was er geweest. Ik was te groot voor de kinderafdeling, dus kwam ik bij de grote mannen te liggen. Een en al geruft en dubbelzinnigheden. Dat eerste begreep ik maar al te goed, dus meurde en knetterde ik er dapper op los. Waarover ze gniffelden als de zuster een scherm uitklapte, om deze of gene een wasbeurt te geven, had ik ook wel door, maar ik hield me wijselijk koest. ,,Daar snap je nog niks van. Wacht maar af, dat komt gauw genoeg.''

Meneer Bever naast me werd elke dag dichter bij De Eeuwige Rechterstoel verwacht. ,,Als ze je een luier omknopen omdat je de boel daar beneden niet meer kunt ophouden, weet je het wel. Dan ga je terug naar af.''

Een kale kapper kwam me knippen en scheren. Hij haatte zo te zien dikke, donkere jongenskrullen, dus gingen die onder zijn vlijmscherpe vingers gretig hun einde tegemoet. Eerst de schaar, knip-knip-knap-knap als in een gruwelsprookje van Grimm. Vervolgens de tondeuse en tot slot het mes. De mannen om me heen verstomden. Ze wendden zich af of lazen een oude krant. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me verlaten; ik stond er alleen voor. De kapper was de enige die lachte: ,,Kop op.'' Hij verzamelde mijn krullen en maakte zich uit de voeten.

Onze buurtkapper knipte je terwijl hij een natte sigarenpeuk in zijn mond hield. Die kon hij zonder hem aan te raken van de ene mondhoek naar de andere verplaatsen. En maar smakken. In de lege etalage van de kapperszaak stond geflankeerd door twee flesjes 4711 een ingelijst borduurwerkje van zijn vrouw. Laat Bloemen Uw Tolk Zijn en Jansma Uw Kapper. Als ik bij hem in de kappersstoel ging zitten die hij met zijn korte voetje handig opkrikte, smeekte ik hem via de spiegel: ,,Niet te kort hè kapper?'' Te kort betekende immers dat je ten minste twee weken werd gepest.

,,Nee, nee'', smakte kapper Jansma, ,,zeker niet mijn ventje, we maken er weer een ordentelijke kop van. Daar kun je heus mee voor de dag komen. Hoe is het met je vader?'' Hij aaide vriendelijk over mijn hoofd, de vuile verrader. Nou, ik wist het wel weer. Die had hem net opgebeld met de mededeling dat het een fris, sportief en vooral kort kapsel moest worden. Hoe korter hoe goedkoper, des te langer kon je er mee rondlopen. Tot slot kwam de kappersspuit er aan te pas. De laatst straal voor de grap midden in je gezicht en hij kneep je nog even in je neus alsof je dat kon verzoenen met de ravage die hij in vijf minuten bij je had aangericht. Erg. Erg. De jongens stonden al voor de deur...

Na de kapper, hup op de brancard. Kwiek en monter sprong ik op het hospitaallinnen. Op naar dokter Beul en zijn betegelde griezelkamer. Dat wist ik natuurlijk nog niet, toen ik dapper naar buurman Bever zwaaide. Hoe zal die ouwe me hebben nagekeken?

Toen ik in de nacht in het groene schijnsel van de waakverlichting uit mijn diepe slaap wakker werd, zat mijn moeder naast me. Wat was ze jong. Wat had ze een mooie, gesteven jurk aan. Waar had ze dat malle kapje dat ze op het blonde haar droeg vandaan?

,,Moeder'', zei ik, ,,hij heeft me zeer gedaan.''

,,Stil maar'', zei ze, ,,ik ben je nachtzuster, je moeder komt morgen'', en ze verschikte wat aan mijn dekbed en streek over mijn stukje wang, het enige stukje bloot dat niet in het verband zat.

Dat is een halve eeuw geleden en weer lig ik in de nacht in het ziekenhuis. Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Ook toevallig. Als ik wakker word, zit mijn moedertje weer naast me. Blond paardenstaartje dat eigenwijs uit haar hoofd omhoog steekt. Bijna had ik haar hand gepakt en moeder tegen dat hummeltje gezegd. Kordaat hanteert ze de bloeddrukmeter en stopt vervolgens een soort kinderpistool in mijn oor om mijn temperatuur te meten. Ze pakt mijn pols. Ze verschikt wat aan het dekbed. ,,Gaat u maar rustig slapen, alles is kits.''

Naast me wordt meneer Bever wakker die natuurlijk geen Bever heet. ,,Zuster, verdomme zuster, ik moet schijten en ze hebben me beloofd dat ik dat 's nachts niet meer hoef, want dat ik dan die rotluier weer om moet. Die luier wordt nog een keer mijn dood.''

De volgende ochtend leest een Engelse verpleegster hem het dagmenu voor. ,,Keep of Vlaas. Gestaafde of gekaakte aapens of liever pureer?''

Bever hoort het niet, want hij is stokdoof; dat is hij al jaren sinds hij in de houthaven een boomstam op zijn hoofd kreeg. ,,Gewane suus of boot en suus? Een tootje? Fraat of vloei met kaarsen? Turkies braat?'' Bever mag alles eten, want hij doet het niet meer in zijn broek en gaat morgen naar huis.

,,Vanavond komt Jan, mijn zoon. Ik heb maar één jongen. Die zal opkijken dat ik het niet meer in mijn broek doe, dat ik weer naar huis mag na al die rotweken in dit kelereziekenhuis. Die zit heus niet in het hout. Hij reist de wereld rond. Hij is rijk geworden in Taiwan. Hij heeft een splinternieuwe vrouw; ze moeten altijd jong zijn bij Jan.''

's Avonds blijft ze bij zijn ziekbed staan. ,,Ga toch zitten meid. Jan, ga je niet zitten? Hoe is het in Taiwan? Ik mag weer alles eten. Ik doe het mooi niet meer in mijn broek. Mooi niet. Morgen ga ik naar huis. Die zien me hier niet terug. Gaat je vrouw niet zitten? Ga toch even bij je pa zitten Jan. Verrek. Het gaat plotseling niet meer goed met me daar beneden. Ik moet er uit. Ik moet naar de wc. Help me jongen, anders doe ik het nog in me broek. Vlug, trek me uit het bed.''

,,Je moet je niet zo aanstellen pa, je stelt je altijd aan. Er zal zo wel een zuster komen. Waar komen hier de zusters vandaan?''

Meneer Bever probeert uit zijn bed te komen. Hij komt overeind, maar valt weer in de kussens. Ik ruik het al, die poept alles onder.

,,Help me jongen. Trek me overeind, ik moet naar de wc.''

,,Weg hier'', zegt Jan tegen zijn vrouw. ,,Die ouwe heeft ook altijd wat. Wegwezen.''

Ik mijn bed uit. ,,Jan, blijf hier Jan. 't Is niks. 't Is amper niks. Blijf bij je pa. Ach lieve Jezus, zuster ik schijt in me broek.''