Europees beleid voor werkgelegenheid is zinloos

Er is weinig hoop op snelle verbetering van de werkgelegenheid in Europa zolang de vakbeweging in de meeste EU-landen loonmatiging nog beschouwt als vloeken in de kerk, meent Hans H.J. Labohm.

Op de topconferentie van de Europese Unie in Lissabon is eind vorige week overeenstemming bereikt over een pakket maatregelen dat tot doel heeft van de Unie binnen tien jaar de sterkste economie ter wereld te maken. De EU moet een dynamische kenniseconomie worden die de Verenigde Staten voorbijstreeft op het punt van werkgelegenheid en tegelijkertijd garant staat voor het behoud van een rechtvaardig sociaal stelsel. De maatregelen richten zich vooral op de bevordering van de informatie- en communicatietechnologie, waarbij een versnelde invoering van Internet speciale aandacht krijgt. Daarnaast moet ook de arbeidsparticipatiegraad omhoog: van 61 procent nu tot 70 procent in 2010. Het is vooral de vaststelling van deze concrete werkgelegenheidsdoelstelling die minister Zalm van Financiën terecht de kwalificatie `volksverlakkerij' ontlokte.

Sinds het Marshallplan, ruim een halve eeuw geleden, probeert Europa de VS in te halen. De Europese integratie is een eclatant succes gebleken, dat heeft bijgedragen tot spectaculaire economische ontwikkeling van Europa. Maar toch heeft Europa in die halve eeuw nooit de Amerikaanse economische dynamiek en innovatie weten te evenaren. Zou datgene wat in een halve eeuw niet is gelukt, in de komende tien jaar opeens wel lukken?

De top van Lissabon heeft een lange voorgeschiedenis. Reeds in 1993 presenteerde de Europese Commissie een Witboek over `groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid'. In de wandeling werd dit het `Witboek Delors' genoemd wegens de belangrijke rol die de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, bij de totstandkoming ervan had gespeeld. Ondanks het feit dat het bij zijn verschijnen veel officiële lof heeft geoogst, heeft het geen duidelijk merkbare effecten gehad op de sociaal-economische gang van zaken in Europa.

Mede als complement van de Economische en Monetaire Unie (EMU) werden later verdere initiatieven genomen. Het Europese werkgelegenheidsbeleid rust thans op drie pijlers, waarover op achtereenvolgende Europese toppen overeenstemming is bereikt. Sterk vereenvoudigd, omvatten deze de volgende maatregelen:

een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie teneinde de efficiëntie van de arbeidsmarkt te verbeteren door bevordering van de inzetbaarheid van werknemers, ondernemerschap, aanpassingsvermogen van ondernemingen en hun werknemers (top van Luxemburg, 1997);

brede structurele hervormingen en modernisering teneinde de innovatiecapaciteit en efficiëntie van de arbeidsmarkt en de goederen diensten- en kapitaalmarkten te bevorderen (top van Cardiff, 1998);

coördinatie van economisch beleid en de verbetering van elkaar wederzijds ondersteunende interactie tussen loonontwikkelingen en monetair-, budgettair- en belastingbeleid door macro-economische dialoog (top van Keulen, 1999).

Wat heeft al dit werk sinds 1993 opgeleverd? De cijfers spreken voor zich. In 1993 bedroeg de Amerikaanse economische groei 2,4 procent; die van de EU -0,4 procent. De meest recente cijfers zijn respectievelijk 4,5 en 3,1 procent. In 1993 was de Amerikaanse werkloosheid 6,9 procent; die van de EU 10,7 procent. Thans bedragen deze cijfers respectievelijk 4,1 en 9,6 procent.

De Europese doelstellingen zijn ambitieus en sympathiek. Tegelijkertijd getuigt de EU-aanpak toch van onbegrip voor de diepere oorzaken van de achterblijvende prestaties van de Europese economie en een gebrek aan onderscheidingsvermogen tussen goed en slecht beleid. Het doet denken aan de middelmatige schaker die zich in zijn partij tegen de grootmeester in een hopeloze positie bevindt, maar niettemin denkt dat hij nog goede kansen heeft.

In verschillende Europese landen, waaronder Frankrijk, bestaat steun voor de gedachte van het vaststellen van concrete Europese werkgelegenheidsdoelstellingen, zelfs met sancties voor landen die deze doelstellingen niet weten te halen, bijvoorbeeld in de vorm van korting op subsidies uit het Europese Sociale Fonds. Deze opvattingen worden ook gesteund door grote delen van de Europese vakbeweging. De redenering is dat nu het mogelijk is gebleken om in het kader van de EMU tot doelstellingen te komen voor inflatie, begrotingstekorten en staatsschuld, het toch ook mogelijk zou moeten zijn soortgelijke doelstellingen te introduceren op het gebied van de werkgelegenheid, bijvoorbeeld in de vorm van een stapsgewijze verbetering volgens een van tevoren vastgesteld tijdpad. Op deze manier kan het sociale gezicht van Europa worden opgepoetst. Logisch, niet? Nee dus.

Waarom moet de EU zich met werkgelegenheid bezighouden? De voorstanders van een actieve bemoeienis op dat terrein stellen dat dit in het verdrag staat, dat nationaal beleid alléén weinig effectief is en dat Europees beleid noodzakelijk is om nationaal beleid mogelijk te maken. Deze argumenten zijn niet steekhoudend. De bevordering van de werkgelegenheid staat al sinds mensenheugenis in het verdrag. Maar een meer directe bemoeienis van de EU met dit vraagstuk is een relatief recent verschijnsel. En wat de andere argumenten betreft bewijst de Nederlandse ervaring dat zij ongefundeerd zijn. De groei van de Nederlandse werkgelegenheid ligt al jaren vér boven het gemiddelde van Europa.

Hoewel overheden grote prioriteit zeggen te hechten aan de bevordering van de werkgelegenheid, zijn de instrumenten waarover zij beschikken om dat doel te bereiken toch onvoldoende. En een beleid zonder instrumenten is als een slag in de lucht. De ervaringen met het Nederlandse Poldermodel hebben aangetoond dat zoiets alleen mogelijk is met steun van de vakbeweging voor een langdurig voortgezet beleid van loonmatiging. Dan nog blijkt dat er niets te plannen valt. De huidige positieve ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt en de Nederlandse economie in het algemeen zijn weliswaar bevorderd door goed beleid, maar beslist niet de uitkomst van een planmatig proces dat was gericht op het bereiken van tevoren vastgestelde werkgelegenheids- en groeidoelstellingen. Dat het zo snel en goed is gegaan, kwam als een – overigens zeer aangename – verrassing. De geleidelijke economische verbetering die zich thans in vele Europese landen aftekent, is verheugend, maar lijkt toch eerder plaats te hebben ondanks het daar gevoerde beleid dan dankzij dat beleid.

Zolang loonmatiging in andere Europese landen door de vakbeweging nog als vloeken in de kerk wordt beschouwd, is er weinig hoop op snelle verbetering van de werkgelegenheidssituatie. De toekomstprojecties van de Europese werkgelegenheidscijfers van instellingen als de OESO laten weliswaar een lichte daling zien, maar van een èchte convergentie naar het lage Amerikaanse niveau is geen sprake. Met andere woorden er is nog een grote kloof tussen de officiële ambities van Europa en de verwachtingen van de sceptische internationale rekenmeesters.

Drs. Hans H.J. Labohm is als gastonderzoeker verbonden aan het Instituut Clingendael.