De Witte Ridder

Belgische voetballers moeten niets hebben van trainers die hun mond vol hebben van teambuilding en andere gewichtige sportpsychologische theorieën. Intellectuele trainerstaal, alle neuzen in dezelfde richting, allemaal in dezelfde pyama naar bed. Alsjeblieft niet. Tweetalig dienen de trainers zijn, om in het Frans en Vlaams te kunnen `klappen'. Ze moeten een vader zijn, ze moeten een sigaar roken, een whisky drinken of desnoods een stevige pint.

Guy Thijs was er zo een, de bondscoach die van bescheiden jongens rode duivels maakte. Robert Waseige is nu de bondscoach. Ook zo'n man die zichzelf blijft, de rust bewaart en zichzelf niet boven de massa verheft. Waseige heeft geen schrik van reputaties, kijkt niet op tegen Hollandse zelfgenoegzaamheid en intellectualisme. Wie genoegen neemt met zichzelf, heeft niemand te vrezen.

Waseige is altijd de baas. Maar hij doet niet moeilijk wanneer wijsneuzen van de pers hem erop wijzen welke spelers hij moet opstellen. Komt goed vriend, zegt hij dan bedaard. Hij is geen nerveuze tacticus als Raymond Goethals, de succescoach die voor elke Hollander een diepgeworteld respect heeft. Hij is ook niet als het opgewonden voetbaldier Erik Gerets, de PSV-trainer die van hen een topvoetballer maakte.

Wat de 60-jarige, geboren Liégeois onderscheidt van de meeste andere trainers, is zijn levensvisie. De arbeiderszoon studeerde in zijn jonge jaren Latijn en Grieks, alvorens hij korte tijd sportjournalist was en vervolgens voetbaltrainer werd. Hij droomt niet van voetbal. Drinkt liever een whisky, verdiept zich in filosofische en psychologische literatuur, praat graag over Milan Kundera en Georges Simenon en smult van het Amerikaanse basketbal. Een van zijn drie zoons was profvoetballer en speelde in een band, een ander studeerde filosofie. Kan een vader het beter treffen?

Hij voetbalde bij Club Luik, Racing White en Winterslag. Goed was hij niet. Als trainer bracht hij in de jaren zeventig wel het Limburgse clubje Winterslag van de derde klasse naar de eerste klasse, en haalde er Europees voetbal mee. Van Standard maakte hij een club met aanzien, van Lokeren (Lubanski, Lato, Preben Larsen) maakte hij een subtopper, met Club Luik speelde hij Europees voetbal en met Charleroi won hij de nationale beker.

De Belgen hebben vrijwel massaal bewondering voor de kleine, gezette man, die maar zichzelf bleef en liever geen aandacht wilde voor zijn leven en zijn werk. Bescheiden bleef hij talenten opleiden, bescheiden bleef hij hun vaderlijke adviezen geven. Waseige baarde opzien door zich in te zetten voor het leed van het Luikse gezin Delhez, waarvan de dochters Laetitia en Mélissa in handen vielen van Marc Dutroux. Vader Delhez vroeg de trainer om geestelijke hulp, waarna Waseige onder meer een solidariteitsmatch voor het gezin organiseerde. Sindsdien staat Waseige bekend als de Witte Ridder.

Sinds ruim een half jaar is Waseige dan bondscoach. Hij had het al jaren eerder kunnen zijn. Maar de Belgische bondsbestuurders durfden het niet aan een man aan te stellen zonder grandeur. Ze wilden zogenaamde wereldburgers als Walter Meeuws en Georges Leekens. Zo'n Waseige, zo'n man die zoveel dronk; dan kon niet.

Nu is hij toch bondscoach. En wat doen de Rode Duivels zowaar? Ze hebben vertrouwen, ze voelen zich niet meer ondergeschikt aan Hollanders, Fransen en Duitsers. En ze winnen. Alles dankzij een trainer die de Wichtigmacherei die voetbalcoaches zo eigen is, verafschuwt. Gewoon een man die het spel aanvoelt, de juiste spelers op de juiste plaats zet en vrede heeft met het zware leven.