De touwtjes van de verbeelding

Wat er te zien was: een enorme zwarte man, die ver boven de bomen uitstak en met grote passen over de weg liep, omstuwd door kleine mensen. Hij zat aan draden zag je ook, als een marionet, er reed een soort kraan achter hem aan die het hem op een of andere manier mogelijk maakte zijn armen en benen te bewegen. Hij kwam voor in een documentaire waarvan een stukje vertoond werd in het programma `Het blauwe licht', een programma van de soort waarvan er veel te weinig zijn en dat ook altijd te kort duurt omdat je er niet zo snel genoeg van hebt. Er worden televisieprogramma's gedeeltelijk in hervertoond en door vier mensen kritisch besproken. Nu keken die mensen dus naar die reusachtige man ergens in Afrika. Het was een meesterlijk beeld, hoe hij daar liep, met zijn enorme voeten en zijn grote rollende ogen. We zagen ook nog een toeschouwer die met een soort lacherige angst op de reus reageerde en sterk de neiging had om zich uit de voeten te maken toen die zijn kant op kwam. Die man geloofde min of meer in wat hij zag.

De Blauwelichters bespraken de vraag of wij, door de wolgeverfde kijkers, theaterbezoekers, ook nog in zo'n illusie konden geloven, en waarom niet. De touwen waaraan de man vastzat waren bijvoorbeeld al een belemmering. Iemand veronderstelde dat ook de angstige lacher niet werkelijk geloofde in wat hij zag, maar dat hij zich als het ware had voorgenomen te geloven, zoals je zelf, zei hij, vroeger bij de poppenkast heus wel wist dat je vader erin zat en dat het ging om een lappenpop op een hand, maar dat nam niet weg dat je gilde: `Kijk uit Jan Klaassen!'

Zo. Wij trapten er dus niet in. En wie zich overgaf had een besluit genomen.

Het is zo met wat je ziet: je bent natuurlijkerwijs geneigd erin te geloven. Als het niet bestond zou je het immers niet zien. Die reus die daar liep, in eerste instantie leek hij geen pop. Toen wel. En toen de toekijkende man zo angstig op hem reageerde, leek hij ook weer geen pop, maar een verzinsel dat elk moment tot echt leven zou kunnen komen. Zou je daar gestaan hebben, dan zou het allemaal misschien door die touwen en die hijsinstallatie eerder een wat klungelige dan een ijzersterke indruk op je maken. Maar op een film is alles weer anders. Op film geloof je in wat ze je laten zien, alsof het de poppenkast is. Juist doordat we zoveel films kennen weten we hoe dat gaat met reusachtige maaksels: die ontworstelen zich aan de greep van hun makers en beginnen ineens, hoewel het niet kan, op eigen kracht te bewegen. Daar breken de touwtjes en daar gaat de reus, eindelijk vrij en met weinig goeds in de zin.

Die man die daar stond te lachen en te wiebelen en te draaien en onwillekeurige wegduikbewegingen stond te maken, die had gelijk – niet volgens de mensen die om hem heen stonden, want de vrouw naast hem stond er zo onaangedaan bij alsof ze op een bloemencorso was. Hij had gelijk omdat hij in een film zat. En films houden zich niet aan de werkelijkheid.

Het was vreemd om te merken hoe twee conventies door elkaar liepen die van de documentaire, het is allemaal echt en dus is die reus níet echt, en die van de filmische middelen: alles wat je ziet is waar en het kan nog vreemder worden.

Is dat een beslissing die je neemt dat je gelooft in de filmische middelen, dat je gelooft in een verhaal, in een voorstelling?

In de jongste aflevering van het tijdschrift Nexus, gewijd aan het onuitputtelijke onderwerp `Het menselijk tekort', schrijft redacteur Rob Riemen: ,,Men klaagt over de `onttovering van de wereld'. De natuur heeft haar mysterie verloren, zo lijkt het [-] En toch, de onttovering van de wereld is enkel en alleen ons verlies aan voorstellingsvermogen, ons verlies aan sprookjes, ons onvermogen om voorbij de feiten een meer ware werkelijkheid te zien.' Dat laatste klinkt zo een beetje kras, maar dat er meer tot de werkelijkheid behoort dan wat we `feiten' noemen is nogal wis. Voor wat betreft de onttovering lijkt me dat Riemen helemaal gelijk heeft: de wereld is niet onttoverd, wij zijn onttoverd. Zoals Bernlef in zijn boek Boy zijn hoofdpersoon geregeld laat denken dat de mensen de dingen verkeerd zeggen, ze spreken van `een blinde muur' niet omdat die muur blind is maar omdat zij er niets in kunnen zien.

Riemen haalt een prachtig gedicht van Kaváfis aan, waarin de regel voorkomt `De snaren van de lier/ alleen kennen de werkelijkheid' de kunst alleen weerspiegelt iets van de ware wereld. Dat is een heel klassieke opvatting, dichters uit de oudheid riepen niet voor niets de muzen aan, zoals Samuel IJsseling eens glashelder uiteen heeft gezet in zijn Mnemosyne-essay in het boekje Drie godinnen: alleen de goden en de muzen kenden de wereld zoals ze werkelijk is, de mensen bereikt niet meer dan een flauwe afspiegeling. Ook wie niet meer in goden en muzen gelooft, kan dat beamen, de werkelijkheid is onachterhaalbaar maar kunst kan iets van de werkelijkheid laten zien dat daarzonder niet zichtbaar was. Ook van de betovering van de werkelijkheid, al hoeft de kunst dat nu ook niet per se. Maar `het raadsel vergroten' zoals Mulisch dat heeft genoemd, dat is iets wat goede kunst doet. En dat gaat al uit van de veronderstelling dat er een raadsel is.

Je hoeft denkelijk niet te besluiten om te geloven in de waarheid van de kunst, want die is als het ware gegeven, anders is het oninteressant. Je moet wel besluiten om te geloven in de middelen van de kunst en vaak besluit men daar niet in te geloven. Vrijwel alle mythes en religieuze verhalen spreken over een tijd waarin reuzen en goden nog op aarde woonden. Dat is een voorstelling van zaken die blijkbaar voor de hand ligt, die misschien ook overeenkomt met ieders angsten en verlangens. Laten mensen een reus over het land wandelen dan is er, misschien in een zeer verre uithoek van het bewustzijn, iets dat zegt: zie je wel. Dat is de waarheid en de betovering van het beeld. En er is de wereld van de feiten waarin we heel goed zien hoe die reus werkt en bovendien weten dat reuzen niet bestaan. Zoals je kunt gillen van angst en huilen van medelijden bij een film waarvan je heus wel weet dat het een film is, met een verzonnen verhaal en acteurs. Is dat een besluit? Jawel, je kunt ook beslissen om het allemaal te zien voor wat het is: verzinsels, en daarbij bovendien volhouden dat verzinsels geen waarde hebben.

Het `oprecht veinzen' van Frans Kellendonk ging over geloof. Gelovigen (en ook sommige niet-gelovigen) vinden dat onzin: wie gelooft veinst niet, die is niet ironisch, die weet niet beter, want dan gelooft hij/zij immers niet. Voor kunstconsumenten is oprecht veinzen heel gewoon. Misschien is het zelfs wel een noodzaak.