Wal en schip

Onlangs was er in de Amsterdamse Balie een discussie over het leraarsberoep. Daarbij werd door onderwijsjournalist Robert Sikkes naar voren gebracht dat de beginsalarissen voor leraren de laatste jaren zo zijn verbeterd, dat ze kunnen wedijveren met wat beginners bij overheid en bedrijfsleven betaald krijgen. Op zichzelf is dat inderdaad het geval, zoals Sikkes trouwens ook onweerlegbaar aantoonde. Dat vond de zaal, gevuld met voor het merendeel leraren, niet echt leuk om te horen. Die zaal pruttelde wat tegen, maar tot mijn verbazing kwam niemand met het volgende.

Stel u solliciteert als jong afgestudeerde bij een bank. Hoe zou u het dan vinden als werd gezegd: we betalen u vooralsnog niet meer dan drie dagen per week, want die andere twee heeft u hard nodig om de gang van zaken in ons bedrijf te leren kennen, en uw nieuwe collega's, en de activiteiten die we ontplooien, onze klanten, de materialen die we gebruiken en nog veel meer. Banken doen dat natuurlijk niet, want dan krijgen ze geen hond, laat staan een jonge enthousiaste pas afgestudeerde hbo'er of academicus.

In het onderwijs nu is het volstrekt normaal dat beginners wordt geadviseerd part time te werken, omdat het anders te zwaar is. Wat is dan wel te zwaar? Om meteen, vanaf de eerste dag dat ze beginnen met werken, even productief te zijn als een ervaren collega.

Onderwijs is decennialang een enorm verwende sector geweest. Als er een vacature was van een bepaalde omvang, te vervullen op bepaalde vooraf vastgestelde tijden, was het niet moeilijk daar iemand bij te vinden. Die situatie nu is de laatste paar jaar ingrijpend aan het veranderen. Toch lees je daar, althans wat het voortgezet onderwijs betreft, nauwelijks over, hoewel de situatie daar het nijpendst wordt: terwijl de belangstelling voor een baan in het basisonderwijs de laatste tijd duidelijk weer is aangetrokken, blijft de animo voor het leraarschap in het voortgezet onderwijs buitengewoon gering. De komende jaren, zo voorspel ik u, worden de problemen alleen maar groter. Dat ik dat kan voorspellen heb ik niet te danken aan glazen bol, Jomanda of koffiedik; het valt eenvoudigweg af te leiden uit de volgende ontwikkelingen die onontkoombaar staan te gebeuren.

Komend decennium begint – en dit geldt voor alle sectoren – de pensionering van de babyboomers. Zij waren niet alleen met velen, zij waren ook de eerste generatie die massaal doordrong in het hoger onderwijs. Dit betekent een toenemende vervangingsbehoefte aan hoogopgeleiden, wat niet eenvoudig zal zijn omdat nu al de vraag het aanbod overtreft. Nu zijn er dus al te weinig. Maar daar komt nog iets bij: als gevolg van het toenemende aandeel van de allochtonen onder de jongeren zal het aanbod aan hooggeschoolden zeker niet toenemen, en in de Randstad eerder afnemen.

Het voortgezet onderwijs heeft de afgelopen 20 jaren als gevolg van het opheffen van arbeidsplaatsen nauwelijks een beroep gedaan op de arbeidsmarkt. Inmiddels is deze sector zo vergrijsd, dat de komende 10 jaar zowat de helft van alle personeel moet worden vervangen.

Dat de economie zich zo voorspoedig zou ontwikkelen als inmiddels het geval is, kon niemand voorzien, maar dat het overschot aan leraren binnen het tijdsbestek van een paar jaar zou omslaan in een tekort, viel eenvoudigweg te voorspellen. In de sfeer van het beleid is niets ondernomen om dit te voorkomen. De situatie wordt er daardoor een van wal en schip, van scholen zoek het maar uit. Ik vind het angstwekkend dat over dit vooruitzicht voornamelijk wordt gezwegen. Akelig, die stilte die voorafgaat aan een onvermijdelijke storm.