Vrouw in scherven

In het Oudegyptische dorpje Deir el-Medina, niet ver van Luxor, woonden de arbeiders die grafmonumenten voor de farao's bouwden. Egyptologe Jaana Toivari beschreef aan de hand van de beschikbare teksten de positie van de vrouw.

`MANNEN EN VROUWEN vervulden in het oude Egypte ieder hun eigen rol. Maar de arbeidersgemeenschap van Deir el-Medina was, zo blijkt uit mijn onderzoek, niet naar sekse gestructureerd. Mannen en vrouwen waren op meerdere fronten maatschappelijk actief, mannen en vrouwen namen deel aan het economisch leven, mannen en vrouwen werden voor dezelfde overtredingen gelijk gestraft.''

In het Nederlands Instituut van het Nabije Oosten (NINO) is egyptologe Jaana Toivari druk bezig nog wat laatste kopieën te maken. Na een verblijf van zeven jaar in Leiden, bekroond met een alom geroemde promotie bij prof.dr. J.F. Borghouts, keert de Finse de volgende dag terug naar Helsinki. ``Hopelijk niet voor lang'', zegt ze terwijl ze gejaagd wat papieren bijeenraapt. ``Een postdoc-aanvraag bij NWO is in de maak, Finland stelt weinig voor in de egyptologie. En de bibliotheek hier op het NINO, samen met die van het Rijksmuseum van Oudheden, is geweldig.''

STIL HOEKJE

In een stil hoekje, ingesloten door boekenkasten, neemt Toivari even de tijd om haar proefschrift Women at Deir el-Medina – een handelseditie verschijnt eind dit jaar – toe te lichten. ``In 1988, halverwege mijn studie egyptologie in Helsinki, las ik over Deir el-Medina. Ik was direct enthousiast, sociale geschiedenis vond ik aantrekkelijker dan oorlog. Ik ging de bewaard gebleven teksten lezen en schreef een afstudeerscriptie over de informatie over vrouwen die ze bieden. Het leek Borghouts een goede zaak het onderwerp uit te bouwen tot een promotie-onderzoek.''

Deir el-Medina is de moderne naam voor een Oudegyptisch arbeidersdorpje op de westover van de Nijl, gelegen in de woestijn tegenover Luxor (het vroegere Thebe). Het werd bewoond door gezinnen waarvan de mannen betrokken waren bij het in rotsen uithouwen en decoreren van grafmonumenten voor de farao's. Op het hoogtepunt, tijdens het bewind van Ramses III en Ramses IV (circa 1200 v.Chr.), ging het om ruim honderd werknemers. Toivari: ``Tot die huishoudens behoorden mannen, vrouwen, kinderen en soms ook grootouders en privé-slavinnen die waarschijnlijk hielpen bij het bewerken van de akkers. De mannen waren in dienst van de staat en kregen betaald in graan, water, groenten, vis, maar ook in aardewerk en hout. En ze konden een beroep doen op wasvrouwen, waterdragers en hoveniers.''

De nederzetting werd begin negentiende eeuw opgemerkt, toen verzamelaars en handelaren in de woestijn op zoek waren naar oudheden. Er volgden opgravingen die talloze tekstfragmenten aan het licht brachten. Toivari: ``Er zijn nu zo'n 5000 teksten op aardewerken scherven en zo'n 500 op papyri gepubliceerd. Maar in Oxford bevinden zich lades met duizend ongepubliceerde teksten, ik ben er een paar maanden geweest om de tekstkopieën van een vroegere expert, professor Cerný, na te vlooien. Het ging in mijn onderzoek om niet-literaire teksten die, al dan niet terloops, iets zeggen over de positie van de vrouw in Deir el-Medina. In ongeveer 10 procent van het totale corpus is dat het geval. Ze zijn geschreven in het cursieve hiërogliefenschrift van het Nieuwe Rijk. Hun omvang varieert sterk, van veel materiaal zijn stukken afgebroken. Soms vind je in een graf op de achterkant van een literaire tekst het begin van een brief. Het verzamelen en uitzoeken van al dat materiaal heeft me drie jaar gekost. Het lezen van al die incomplete teksten is een heidens werk, ook al omdat je soms midden in een correspondentie valt van mensen die elkaar door en door kennen en wat moet je dan als buitenstaander?''

Welk beeld van de Oudegyptische vrouw dringt zich op? Toivari: ``Mijn studie kan geen recht doen aan diversiteit die onder de vrouwen van Deir el-Medina moet hebben bestaan. De meeste teksten betreffen administratieve zaken en zijn door mannen geschreven. De vrouwen die erin opduiken behoren tot de relatief kleine groep die nadrukkelijk in die mini-samenleving zichtbaar was, terwijl de meerderheid van de vrouwen op jonge leeftijd trouwde om vervolgens in het kraambed te sterven.''

Niettemin biedt Toivari in haar proefschrift een gedetailleerd inkijkje op het dagelijks leven van de vrouwen in Deir el-Medina. In vijf hoofdstukken gaat ze achtereenvolgens in op de positie van de getrouwde vrouw, hoe vrouwen eigendom verwerven en verhandelen, seksualiteit, moeders & dochters, en oudere vrouwen. Toivari: ``In Deir el-Medina gaf het huwelijk de vrouw extra status, het werd gezien als een belangrijke stap richting volwassenheid – vrouwen trouwden als ze tiener waren. In hoeverre bij het kiezen van de partner liefde in het spel was is niet duidelijk, maar sommige teksten verraden echtelijke affectie. Zo nu en dan liepen de emoties hoog op, waarbij mannen verbaal en waarschijnlijk ook fysiek – seksueel – geweld niet uit de weg gingen. Ook de man kreeg op zijn kop bij overspel. Echtscheiding kwam regelmatig voor, al zie je dat veel vrouwen proberen de zaak alsnog te lijmen. Soms verzeilde een gescheiden vrouw in de prostitutie.''

EIGENDOM

Veel teksten gaan over eigendom. Binnen het huwelijk was eenderde van het gemeenschappelijk bezit van de vrouw en tweederde van de man. Daarnaast hadden sommige vrouwen privébezit. Toivari: ``Ook vrouwen roerden zich nadrukkelijk in het economische leven. Ze vervaardigden textiel, hadden soms eigen stukjes grond in bezit dat ze door slaven lieten bewerken, en kochten en verkochten goederen op de markt. Er is een tekst die geïnterpreteerd kan worden als zou een vrouw een eigen winkeltje bezitten. Maar omdat de mannen hun vaste werk hadden ging er veel tijd heen met het huishouden. Er moest eten gekookt worden, waarbij opvalt dat alle mannen, ongeacht hun rang, hetzelfde kregen voorgeschoteld.''

Kinderen baren – een levensgevaarlijke bezigheid – was belangrijk voor een vrouw in Deir el-Medina. Een uitgesproken voorkeur voor zonen lijkt afwezig. Toivari: ``Kinderen waren een onmisbare oudedagsvoorziening – desnoods werden ze geadopteerd – en indachtig de Oudegyptische religieuze praktijken strekte hun zorg voor de ouders zich uit tot na hun dood. Jongens en meisjes waren gelijkwaardige erfgenamen. Er zijn aanwijzingen dat ook meisjes naar school konden. Wanneer een dochter trouwde en het huis verliet, bleef ze binnen de familie een belangrijke rol vervullen.''

Toivari's conclusie is dat de positie van de vrouw in Deir el-Medina sterk werd bepaald door pragmatische afwegingen. ``In het dagelijks leven draaide veel om materiële voorzieningen. Mannen en vrouwen vervulden ieder hun eigen rol, waarbij de economische activiteit van vrouwen verbazingwekkend is. Ook in het religieuze domein zijn ze nadrukkelijk aanwezig. Maar vooral was ze toch een getrouwde vrouw met een man die een baan had.''