Op de ijsschots

Het begon onschuldig. De geheimraad vertelde op een geheime plaats de aanstaande prinses of koningin over de geschiedenis van haar nieuwe vaderland. Het tweetal werd betrapt, het kwam in de krant, en ik vroeg me af of Alva al ter sprake was gekomen. Ik citeerde een paar dichtregels waarvan ik tot dan toe had aangenomen dat daarin een signalement van Alva werd gegeven: De dood lag in zijn ogen, de hel in zijn gemoed, en wat hij sprak was gesel, en wat hij schreef was bloed.

De maandag daarop kwamen de eerste brieven, en daarna iedere dag. Ik overdrijf niet. De regels zijn van de Duitse, romantische dichter Ludwig Uhland (1787-1862). Het geciteerde gedicht heet Des Sängers Fluch. Er zijn twee vertalingen, van J.J.L. ten Kate en van E.Heimans. Deze heeft zich voor mij onvergetelijk gemaakt door het samen met Jac.P. Thijsse geschreven boekje In sloot en plas. Heimans heeft ook een jongensboek geschreven, Willem Rooda, waarin zijn eigen vertaling van het gedicht staat. Dit boek heeft weer diepe indruk gemaakt op een generatie die in de loop van de jaren dertig is geboren. Robert Schumann, leert mij een lezer, heeft tussen 1851 en 1853 van het gedicht een `bloedstollende versie' gemaakt voor solisten, koor en orkest. Ik kan veel meer brieven citeren; ik volsta ermee te vermelden dat Uhland, Schumann en Heimans tot geestdrift van menigeen voortleven.

Toen vroeg ik me af: hoe lang nog? Wat ik weet van Duitse literatuur heb ik te danken aan mijn Duitse leraren, meneer Thieme en meneer Van Rhee. We moesten Mina von Barnhelm, Erlkönig en Frau Holle und der treue Eckhardt lezen, we leerden het Stumpfsinn-lied zingen, (Du mein Vergnügen, Du meine Lust) en zo nog het een en ander. Dat was tussen 1940 en 1945. Daarna is het Duits misschien wel een jaar of tien een dode taal geweest. Ik ben er weer aan begonnen in 1952, toen Ernst von Salomons Der Fragebogen de eerste naoorlogse Duitse bestseller was geworden. Voor alle zekerheid heb ik een kleine enquête op onze redactie gehouden. Wie weet wie Ernst von Salomon was? Ook onder de meest geletterde redacteuren wist niemand het. Allemaal te jong.

Is het een wonder dat er zoveel uit een generatie nog precies weten wie Ludwig Uhland was, en dat ze gedichten van hem uit hun hoofd kennen? Nee. Het onderwijs was anders, en ze hadden ouders die zelf nog van alles en nog wat konden citeren en opzeggen, en die dat ook deden. Onderwijs en overlevering houden de literatuur in stand. Daarna is de eerste breuk gekomen. Het in de hoek staan werd afgeschaft, de kinderen hoefden niet meer voor straf iets uit hun hoofd te leren. Het is ongeveer als met het leren van Latijn en Grieks, zoals verklaard door Hugo Brandt Corstius. Je ouders willen dat je naar een nette school gaat, je hebt als kind niets in te brengen, en zo komt het dat je die talen leert. Een leraar die straf wil geven, kan een pak rammel krijgen, en dus raakt het uit je hoofd leren in het gedrang.

Toen kwam de tweede breuk. Hoewel er officieel niets over was besloten, veranderde de praktijk. De kinderen begonnen te begrijpen dat ze met het verleden, d.w.z. alles van vóór hun geboortejaar, niets te maken hadden, of misschien alleen in grote trekken. Hun opa's en oma's zaten in het bejaardenhuis. Door hun ouders wilden ze niet gestoord worden bij het kijken naar de televisie, en verder hadden ze wel iets anders aan hun hoofd, want dit is de Ajax-met-Cruijff-generatie. De stroom van de overlevering liep vast in het zich iedere dag vernieuwende heden. Dat is nu een jaar of twintig, dertig geleden.

De hertog van Alva staat niet iedereen van onder de veertig even scherp voor de geest. Omdat ik toch een broodje moest kopen, hield ik onderweg een straatenquête. Jonge zakenvrouw: ,,Iets met oorlog?'' Idem man: ,,Het Italiaanse automerk!'' Oudere kantoorklerk: ,,Geen idee.'' Hoofdportier van de redactie: ,,De ergste vijand van Willem de Zwijger!''

Degenen die alles van Ludwig Uhland weten – ik ben niet somber, maar jong zijn ze niet meer. Iedere generatie heeft haar eigen collectief geheugen. Als je er een beroep op doet, verschijnt er van alles en nog wat, dat er een halve eeuw geleden of langer in is verzameld. Het geheugen van deze generatie toont langzamerhand zijn eindmorene, het grote samenraapsel dat van thuis, school en het leven is overgebleven.

Een paar weken geleden ging het in Rusland plotseling dooien. Het ijs scheurde, schotsen braken af en dreven langzaam, onherroepelijk naar diep water, met daarop de ijsvissers die zich te ver van de vaste wal hadden gewaagd. De meesten werden door helikopters gered, een paar waren reddeloos verloren.

Met een smeltende ijsschots onder je voeten drijf je naar de horizon. Generatiekloven zijn er altijd al geweest. De kloof die door de oorlog is geslagen, is diep maar overbrugbaar. De kloof van de jaren zestig is al een Grand Canyon. Dat is nog niets vergeleken bij de kloof die nu, sinds een jaar of tien in wording is. Het einde van de Koude Oorlog was een grote gebeurtenis, maar het ging langzaam en voor een oorlog vrijwel geruisloos. Internet: beschouw het als een gevorderde telefoon en het is een gemak. Het komt, geloof ik, door wat genoemd wordt de Nieuwe Economie, die verpletterende golf van geldzucht waardoor zoveel mensen worden meegesleept. De anderen staan op hun smeltende ijsschots, op weg naar de horizon. Oorverdovend klinkt het kabaal van het vasteland.

Maar: Hoppla! Wir leben! Schreef Ernst Toller, communist en schrijver (1893-1939).