Keyboard-blues 1

Plotseling, in de loop van de eerste wereldoorlog, was er ineens het soldatenhart. Het was een kwaal waar tot dan toe nog niemand van gehoord had, kerngezonde jonge kerels uit de loopgraven vielen om als vermolmde bomen, zonder dat er een kogel aan te pas gekomen was. Het soldatenhart hield nog een aantal jaren huis, maar verdween ergens tijdens het interbellum even mysterieus als het was opgedoken. Er zijn sindsdien geen gevallen meer geconstateerd.

In de jaren veertig en vijftig had men wel wat anders aan zijn hoofd, maar toen, zomaar ineens, ergens in de jaren zestig, manifesteerde zich een nieuwe aandoening in het wederopgebouwde, snel verstedelijkende Nederland: de flatneurose. De ene vrouw na de andere, opgesloten achter de betonnen balustrades van vers opgetrokken galerijflats, meldde zich met vage stress-achtige klachten bij de huisarts, en toen dat niet hielp bij Albert Heijn voor de eerste flessen amontillado. Met de flatneurose ging het als met het soldatenhart. Hij kwam, en hij ging, en niemand wist waarom. Niemand wist precies wat het was, niemand wist achteraf zelfs met zekerheid te zeggen óf het er wel geweest was.

Nog voor de flatneurose goed en wel verdwenen was, sloeg een vervangende gesel toe: de managersziekte. Het was opnieuw een ziektebeeld van nauwelijks duidbare symptomen, maar niet te ontkennen viel dat de mensen die eraan leden wel ergens last van hadden. Ook de managersziekte heeft al weer lang het veld geruimd. Misschien dat de lijders nu gewoon worden gediagnosticeerd als stresspatiënten. Misschien ook zijn we het ziektebeeld van toen normaal gaan vinden, het type gedrag waarvan de ongelukkige manager John – `succes is een keuze' – uit de `Cup a soup'-STER-reclame zo'n fraaie karikatuur was.

Na de managersziekte brachten de jaren tachtig onder meer de midlife-crisis, die nu alleen nog voortleeft als smoes voor vreemdgaande EO-leden. Daarna verschenen in de jaren negentig het burn-out syndroom en vooral RSI.

RSI staat voor Repetitive Strain Syndrome, last door herhaalde belasting, en daar kun je je wel wat bij voorstellen. Wie jarenlang dag in dag uit zware zakken cement van A naar B sjouwt, kan erop rekenen dat zijn rug verslijt. Wie jarenlang nachtelijks met zijn tanden knarst, schuurt langzaam zijn gebit weg, en wie jarenlang eindeloos mechanisch dezelfde kleine beweginkjes maakt loopt allicht de kans dat de kleine peesjes, spiertjes en gewrichtjes die daarbij betrokken zijn overbelast raken. RSI slaat vooral op die laatste categorie verschijnselen, met het bedienen van de muis als pièce de résistance. Het is een verraderlijk verschijnsel. Iedereen neemt immers onmiddellijk aan dat grove overbelasting, zoals bij die zakken cement, problemen oplevert. Maar dat er ook kwaad kan schuilen in vederlichte bezigheden als het besturen van een muis, appelleert veel minder aan ons voorstellingsvermogen. Dat geldt zowel voor de patiënt in spe als, wanneer het eenmaal zover is, voor de omstanders. Kom nou, van een beetje muizen? Wat kan dat nou voor kwaad?

Welnu, het kan echt kwaad. Vingervirtuozen op de vierkante millimeter als pianisten en violisten weten er al eeuwen van mee te praten. Er kunnen allerlei nare pees- en peesschedeontstekingen van komen, enge knobbeltjes in soorten en maten, krampen, en zo voort. Daarover zal geen onenigheid ontstaan. Vingers en polsen zijn weliswaar heel knappe constructies, prachtig geschikt voor het razendsnel uitvoeren van heel complexe precisiehandelingen, en ze kunnen daarbij ook nog heel wat kracht ontwikkelen, maar ze zijn blijkbaar, net als alle precisieinstrumenten, nogal slijtagegevoelig. Belast je dezelfde delen te vaak en met te korte tussenpozen, dan krijgen die onderdeeltjes blijkbaar geen tijd om te regenereren en gaat het fout.

Maar RSI is veel meer dan alleen de optelsom van fysieke overbelastingsverschijnselen aan handen en polsen. In heel veel gevallen zijn er wel klachten aan die lichaamsdelen of aan armen, schouders of nek, maar kan de dokter helemaal niets lichamelijks vinden. Wat dat betreft lijkt RSI sterk op het soldatenhart en de flatneurose. En ook op de befaamde lage rugklachten. Op die laatste lijkt het ook nog op een andere manier: beide komen heel veel voor bij kantoorwerkers, en eerder steeds meer dan minder, alle ARBO-wetten ten spijt. RSI is ook een fiks maatschappelijk probleem aan het worden. Mensen verdwijnen erdoor in de WAO, en de immer verontwaardigde FNV spant momenteel zelfs letselschadeprocedures aan tegen werkgevers wier personeel er last van heeft. Er is dus alle reden om RSI serieus te nemen.

Computers worden gewoonlijk aangewezen als de boosdoener, omdat de kwaal de kantoren binnenmarcheerde vlak nadat het beeldschermwerken daar zijn intrede deed. Of dat helemaal waar is, valt te betwijfelen, al brengt muizen zeker risico's met zich mee. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar bij mijzelf bespeur ik een zekere neiging om met de hand om het ding gekromd te blijven zitten, ook als er niets te klikken valt. Een beetje zoals je bij het schrijven van een ouderwetse brief je pen in de aanslag houdt terwijl je nadenkt over de juiste woorden. Al die tijd hangt die hand dan, heel lichtjes gespannen, om die muis heen, en dat ga je na verloop van tijd voelen. Handen af van dat ding, is dan de boodschap. Klikken en wegwezen!

Verder is, hoe goed een muis ook is vormgegeven, vooral het per muis verslepen van vensters, selecties en schuifjes op schuifbalken een nogal krampachtige gebeurtenis. De vederlichte elegante subtiliteit die zo'n beweging idealiter zou kenmerken wordt behoorlijk aangetast door de noodzaak om bij al het gemanoeuvreer steeds de wijsvinger stevig op de knop te houden.

Een muis is dus een gevaarlijk stukje gereedschap waar je mee om moet leren gaan, net als beitels. Je zou mensen moeten leren dat ze `tussen de klikken' hun muis loslaten, net zoals je ze leert om Stanleymessen meteen na het snijden dicht te maken. Maar gebrek aan muisvaardigheid alleen kan het epidemische karakter van RSI niet verklaren, evenmin als het gebrek aan succes van alle ARBO-achtige tegenmaatregelen. Wat dan wel, dat proberen we volgende week uit te zoeken.