HOMO ERECTUS KWAM PAS CA. 800.000 JAAR GELEDEN IN Z.O.-AZIË

De vroege dateringen van de Javaanse Homo erectus-fossielen, op 1,8 miljoen jaar, zijn niet langer houdbaar. Dit betogen de Leidse prehistorici M. Langbroek en prof.dr. W.Roebroeks in het komende aprilnummer van het Journal of Human Evolution (vol 38 nr.4, p. 595-600) op grond van heranalyse van de grondlagen waarin de fossielen zijn gevonden. Zij stellen een ouderdom van ca. 800.000 jaar voor.

Het gaat om een schedelkapje dat in 1936 werd gevonden bij Mojokerto en om de resten van twee individuen in de jaren zeventig ontdekt in de buurt van Sangiran. In eerste instantie accepteerde men, op basis van de geologie van de gebieden, voor Mojokerto een ouderdom van 1 miljoen jaar, voor Sangiran 900.000 en 700.000 jaar. Maar in 1994 publiceerden de onderzoekers Swisher en Curtis, beide verbonden aan het Institute of Human Origins (Berkeley), Argon-dateringen van grondmonsters genomen op de vindplaatsen. Die wezen een veel hogere ouderdom aan: voor Mojokerto 1,8 miljoen en voor Sangiran 1,6 miljoen jaar. Opschudding volgde, want deze resultaten zetten grote vraagtekens achter een veronderstelling waarover consensus bestond: Homo erectus zou ongeveer 1,8 miljoen jaar geleden in Afrika zijn ontstaan en rond 1 miljoen jaar terug zijn eerste stappen buiten dat continent hebben gezet. Moest men gaan twijfelen aan de 'geboortedatum' van erectus? Aan het tijdstip van wat heet Out of Africa 1? Of zelfs aan zijn Afrikaanse oorsprong? Kenners van de gebieden en omstandigheden, onder wie de Nederlanders Sondaar, De Vos en Bartstra, meenden van niet. Verwijzend naar de zeer complexe, lokale geologie, kwam de contra-argumentatie er op neer dat Swisher en Curtis de verkeerde aardlagen hadden bemonsterd en gedateerd. Naar deze gefundeerde tegenwerpingen werd echter nauwelijks geluisterd en zo bleven de nieuwe dateringen in de literatuur rondzingen, een groot probleem veroorzakend in de beeldvorming over de vroeg menselijke kolonisatie van de wereld.

Het artikel van Langbroek en Roebroeks lijkt daar een einde aan te zullen maken. Langbroek en Roebroeks onderschrijven de eerder geuite kritiek en namen Sangiran nog eens nader onder de loep. Hier, in de fossielhoudende laag, vond de geoloog en paleontoloog Von Koeningswald meer dan zestig jaar geleden enige tektieten. Dat zijn glasachtige objecten, stolsels van vloeibaar aardmateriaal dat werd uitgeworpen door de inslag van een asteroïde op aarde. Voor Zuidoost-Azië is zo'n gebeurtenis goed gedocumenteerd. Datering van de tektieten en hun positie in diepzeeboorkernen geven aan dat de inslag ongeveer 800.000 jaar geleden plaatsvond. De asteroïde moet een doorsnee van circa 1 kilometer hebben gehad, kwam mogelijk neer in Laos of Cambodja en zorgde naast onvoorstelbare verwoestingen voor een tektietenregen van China tot in Zuid-Australië. Omdat de tektieten en de erectusresten zich in dezelfde laag bevinden kunnen ze niet ouder zijn dan de inslag, schrijven Langbroek en Roebroeks. Homo erectus was dus helemaal niet zo vroeg in Zuidoost-Azië aanwezig als Swisher en Curtis beweren. Binnen de paleoantropologie waren Langbroek en Roebroeks de eersten die van deze tektieten en inslag-informatie gebruik maakten. Hun artikel lag namelijk een jaar bij het tijdschrift op de plank terwijl men wachtte op een aan Swisher gevraagde reactie. Die is er overigens nog steeds niet.