Het multiculturele drama: een repliek

Twee maanden na zijn artikel `Het multiculturele drama' op deze pagina maakt Paul Scheffer de balans op van de reacties die zijn gevolgd op zijn aanklacht tegen de onverschillige manier waarmee Nederland het migrantenvraagstuk tegemoettreedt. Er moet meer met elkaar worden gepraat en minder langs elkaar heen geleefd. De vermijding moet ophouden.

De ene dag loop je rond in de Aya Sofia op de Baarsjesweg in Amsterdam: een honderdtal overwegend oudere mannen zit bijeen in de hal en kijkt naar de Turkse zender. Het verlangen naar vroeger hangt in de lucht. Een andere dag zit je onder de kroonluchters in een zalencomplex bij het Centraal Station in Rotterdam bij de enthousiaste oprichting van Alumnia, een netwerk van hoogopgeleide Marokkanen. Hier is de wil om vooruit te kijken onmiskenbaar.

De afgelopen twee maanden waren een ontdekkingsreis in eigen land, zeg maar gerust een inburgeringscursus. De wals van honderden gesprekken, brieven en kritische commentaren naar aanleiding van mijn artikel maakt duidelijk dat veel mensen zijn geraakt door het samenleven van zoveel verschillende culturen op een klein grondgebied. De Nederlandse samenleving wordt door de schok van de immigratie uitgenodigd tot inventiviteit. Sommigen zijn daarin beter dan anderen, maar het gevoel van onzekerheid laat zich niet eenvoudig wegpoetsen.

De vele reacties, hoe hardhandig soms ook, stemmen uiteindelijk hoopvol. In de achter ons liggende jaren is vaak gezegd dat het multiculturele veelvoud niet vatbaar is voor openbaar debat. Onmiddellijk zouden valse tonen binnensluipen en onheuse clichés opduiken. Hoewel nadruk op achterstand al te gemakkelijk kan ontaarden in stigmatisering van hele bevolkingsgroepen, is dat over het geheel genomen niet gebeurd. Het blijkt mogelijk op een enigszins onbevangen manier te spreken over de vele valkuilen waarin we natuurlijk maar al te vaak vallen.

Toch hebben enkele critici mijn pleidooi voor insluiting van mensen verward met een pleidooi voor uitsluiting. De vraag om meer aandacht voor de talloze aanpassingsproblemen door de nieuwe samenstelling van onze bevolking, is echt iets anders dan de roep om het sluiten van de grenzen. Die zullen open blijven: de gastarbeiders van weleer zijn hier gebleven, ze hebben gezinnen gevormd, en ook nieuwkomers blijven zich aandienen. Nederland is eenvoudig te klein om elkaar duurzaam te ontlopen en daarom moeten we meer spreken over het multiculturele vraagstuk.

In mijn artikel ging het niet om de verdediging van `autochtone' of `allochtone' belangen, maar om de manier waarop in Nederland een open samenleving kan worden bestendigd. De historicus Johan Huizinga schreef in zijn mooie opstel Nederlands Geestesmerk (1935): ,,Als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekeren zin satisfait en het is onze nationale plicht het te blijven''. Hij formuleert een paradoxale opgave: alle energie moet worden gebundeld om ontspannen te blijven. Daar gaat het ook nu om: hoe kunnen nieuwe vormen van ongelijkheid en segregatie worden verwerkt zodat het land enigszins onbevangen blijft in de omgang met migranten?

Uit de kring van de minderheden is vaak stekelig gereageerd op mijn pleidooi. Naast een meningsverschil maakt dit ook onzekerheid zichtbaar over de eigen positie in Nederland. Velen hebben net een plek verworven in ons land en willen om heel begrijpelijke redenen niet worden vereenzelvigd met achterstand. Tegelijkertijd lopen ze aan tegen onderzoekers en bestuurders die in hun nuanceringen de ernst van de problemen miskennen. Al deze omtrekkende bewegingen resulteren in een `cultus van vermijding', zoals Jos de Beus dat heeft genoemd.

Veel onzekerheid komt voort uit de botsing van gezagsgetrouwe culturen met het tamelijk egalitaire Nederland. De sociale afstand binnen de Marokkaanse of Turkse samenleving is veel groter dan in de Nederlandse samenleving, waar klassenverschillen nogal informeel tot uiting komen, maar wel degelijk bestaan. Het moet voor nieuwkomers niet gemakkelijk zijn hun weg te vinden in een land dat zoveel gebruiksaanwijzingen en onderwatercodes kent.

Mijn kritiek op het heersende zelfbeeld in Nederland werd niet als zodanig opgevat. Hoevelen hebben niet gezegd dat mijn pleidooi eigenlijk neerkwam op een verwerping van de cultuur van de minderheden? Sterker nog, menigeen wist te melden dat de sociale achterstand werd verklaard uit `de' cultuur van de betrokken groepen. Er werd van alles beweerd, maar weinig geciteerd. Het kan niet genoeg worden onderstreept: het multiculturele drama heeft betrekking op een afstandelijke meerderheidscultuur, die wegkijkt terwijl vormen van ongelijkheid en segregatie zichbaar worden.

Eén verwijt heeft me in het bijzonder getroffen. Velen hebben zich gestoord aan mijn summiere beschrijving van de islam en hebben daarin een gelijkstelling met fundamentalisme gelezen. Terwijl er uitdrukkelijk stond dat zich ,,misschien in de buitengewesten van de islam een liberale traditie zal ontwikkelen'' en dat velen de islam in ,,een verwaterde vorm zullen belijden''. Het ligt in de verwachting dat de secularisering ook aan de islam in Nederland niet voorbij zal gaan. Daarmee zijn de drie posities getekend die elke religie laat zien: orthodox, liberaal en geseculariseerd.

Haci Karacaer, de nieuwe directeur van de Turkse vereniging Milli Görüs, schreef in een reactie over de islam: ,,Het politieke misbruik dat van dit geloof is gemaakt, en tot op de dag van vandaag wordt gemaakt, leidt tot een geloofspraktijk die mensen afhoudt van zowel hun spirituele wortels als hun maatschappelijke ontplooiing.'' Over de situatie in Nederland is hij optimistisch: ,,Als vertegenwoordiger van een islamitische organisatie durf ik te stellen dat er zich in gestaag tempo een `Nederlandse' islam aan het ontwikkelen is.'' Mijn beschrijving van de gepraktiseerde islam in Nederland heeft te weinig nadruk gelegd op het bestaande pluralisme, en daarin lag een duidelijke zwakte.

In essentie zijn verder de volgende bezwaren tegen mijn verhaal geuit: de vooruitgang van de tweede generatie is niet voldoende op waarde geschat, hetgeen getuigt van ongeduld; te zeer is voorbijgegaan aan het ontstaan van een nieuwe allochtone middenklasse; de kritiek op de leuze `integratie met behoud van eigen identiteit' kan gemakkelijk leiden tot een dwang om te assimileren; het pleidooi voor overdracht van taal, geschiedenis en rechtscultuur aan de minderheden is een teken van het overdreven geloof in de eigen cultuur, die niet past in een postnationale wereld; en ten slotte, het gaat helemaal niet om een specifiek vraagstuk van etnische minderheden, maar om een algemeen probleem van sociaal-economische achterstand. Na zoveel reacties is het moeilijk nog een goede toon te vinden.

Er zijn tal van nuanceringen aangebracht op mijn betoog, maar de stelling dat ongelijkheid en segregatie hardnekkige verschijnselen van de multiculturele verandering zijn, lijkt me niet weersproken. Neem Den Haag, de meest gesegregeerde stad van Nederland. Daar treffen we de drie rijkste en de drie armste buurten van Nederland aan. Zoiets heeft natuurlijk een veel langere geschiedenis, maar in migrantenkring wordt gezegd: ,,Waarom mogen wij niet in de Vogelwijk wonen?'' Een betere Haagse wijk waar de migranten zich niet welkom voelen. Dat raakt de kern van mijn beschouwing.

In de grote steden lijkt de segregatie in het onderwijs en de huisvesting zich door te zetten. En dat is voor niemand goed, want naast werk vormen de school en de buurt de plek waar mensen elkaar op een vanzelfsprekende manier ontmoeten. Het risico van eilanden van ongelijkheid en armoede is niet denkbeeldig.

Een belangrijke tegenwerping betrof de vooruitgang door de wisseling van generaties. Zeker, de diversiteit onder allochtone jongeren valt niet te loochenen. Dat is ook de reden waarom mijn artikel sprak van ,,aanmerkelijke verschillen tussen en binnen de etnische minderheden''. Onmiskenbaar is er vooruitgang bij de tweede generatie vergeleken met de eerste. Het algehele beeld is echter gemengd. De veel geciteerde onderzoeker Veenman schrijft ,,dat de achterstand op de autochtone jongeren niet of nauwelijks is goedgemaakt'', omdat de autochtone jongeren het óók beter doen dan voorgaande generaties. Hij constateert ,,het gevaar van een intergenerationele overdracht van achterstand''. Zoals ook het Sociaal Cultureel Planbureau al vaststelde, is het derhalve niet verstandig alleen maar te rekenen op een automatische verbetering van de positie van migranten door de wisseling van generaties.

De oververtegenwoording van allochtone jongeren aan de onderkant van de samenleving is onmiskenbaar. Veenman noemt ook culturele factoren bij de verklaring van die achterstand: ,,taalproblemen, cultuurverschil, eenzijdig samengestelde netwerken en gebrekkige kennis over en ervaring met de Nederlandse samenleving'' (J. Veenman c.s. Maatschappelijke tweedeling & sociale cohesie, 1999). Ten overvloede: vaststellen dat culturele verschillen de toegang tot een samenleving kunnen bemoeilijken is iets anders dan een schuldvraag stellen. Het is te karig om de demografische veranderingen in Nederland te herleiden tot een sociaal-economisch probleem.

Critici hebben gewezen op de verbeterde inkomenspositie van migranten. Het is wel zeker dat de groeiende werkgelegenheid een positieve rol speelt, maar duidelijk is dat bij een tegenvallende conjunctuur migranten de meest kwetsbare positie hebben volgens het principe van `last in, first out'. Alles verwachten van de economische groei is te gemakkelijk, zeker als we weten dat zes jaar geleden het kabinet de positie van de minderheden nog als ,,uiterst zorgwekkend'' omschreef. Daar komt bij dat ook in tijden van groei de verborgen selectiemechanismen op de arbeidsmarkt nog steeds zichtbaar zijn. De werkgeversorganisatie VNO/NCW maakte onlangs gewag van negentienduizend hoogopgeleide allochtonen in de kaartenbakken van de arbeidsbureaus.

Wie zoveel woorden wijdt aan achterstand moet duidelijk zeggen dat er een groeiende allochtone middenklasse is. Critici die vinden dat daar onvoldoende nadruk op is gelegd, hebben gelijk. Er zijn inderdaad veel succesvolle migranten die een intrinsiek aandeel hebben verworven in de Nederlandse samenleving. Dat is belangrijk, want al voelen ze een affiniteit met het land van herkomst, toch is hun vereenzelviging met Nederland opvallend.

De plaats die ze zich kunnen verwerven in de Nederlandse samenleving is beslissend voor de mate waarin ze dit land als hun eigen land ervaren. Een samenleving die talentvolle migranten te weinig ruimte biedt, zal een prijs betalen. Onvoldoende openheid kan een gevoel van vervreemding oproepen. Hier moet nog veel gebeuren: het betekent een verandering in de samenstelling van krantenredacties, van het politiekorps, van de besturen van culturele instellingen, van het bedrijfsleven.

Het gaat om het besef van een andere afhankelijkheid. Voor de Nederlandse samenleving is het van levensbelang dat de toekomstige dragers van de welvaart zo goed mogelijk worden opgeleid. Het reservoir aan talent mag niet ongebruikt blijven. Dat is een voorname reden om bijvoorbeeld veel meer te doen aan taalachterstanden van kinderen die hier worden geboren. De tijd van tolerantie als aardig gebaar is inderdaad voorbij. Het gaat om volwaardig burgerschap en daar helpt een goedbedoelde restzetel niet.

Wederkerigheid is wezenlijk, maar het verwijt van bevoogding is uiteindelijk onmogelijk te weerleggen. Aan deze dubbelzinnigheid valt namelijk niet te ontkomen. Elk gebaar schept ook afhankelijkheid. De ongelijkheid van meerderheid en minderheid vraagt om zelforganisatie van de minderheden. Emancipatie moet uiteindelijk door de betrokken groeperingen zelf worden bevochten, maar het maakt verschil of de meerderheid zich daarvoor afsluit of zich open wenst te stellen.

We leven met verlegenheidswoorden: zwarte en witte scholen, allochtonen en autochtonen, nieuwkomers en oudkomers, assimilatie en integratie. Stephan Sanders heeft erop gewezen dat het taalgebruik meer is dan een bijkomstig probleem. Zijn voorstel is: spreek over ingezetenen en nieuwkomers. Wat achter die gedachte schuilgaat is belangrijk, namelijk de omschrijving van de meerderheid ligt niet vast, maar moet worden uitgebreid. Dat is ook de enige manier om iets terug te zeggen op de latente vrees die wordt opgeroepen door statistieken over een meerderheid die over vijftien jaar geen meerderheid meer zou zijn in Amsterdam.

De vraag blijft in welke mate de succesvolle migranten zichzelf nog willen zien als zaakwaarnemers van hun eigen gemeenschap. Mijn indruk is dat velen in deze nieuwe middenklasse zich los hebben gemaakt van de problemen in hun gemeenschap. Men begrijpt maar al te goed de Marokkaanse arts die gewoon een goede arts in Nederland wil zijn en verder niks. Anderen in de migrantengemeenschap karakteriseren de houding van deze nieuwe middenklasse als een gevaar. Ze kritiseren een te grote aanpassingsbereidheid aan de `witte' meerderheid.

Toch wordt het pluralisme bevorderd door degenen die scherp de belangen van hun eigen achterban onder woorden brengen, maar tegelijk waar nodig kritisch oordelen over hun eigen gemeenschap, zoals het Haagse gemeenteraadslid Rabin Baldewsingh in een rede duidelijk maakt: ,,De migranten-bevolkingsgroep van Den Haag is geen homogene gemeenschap. Wat je ziet is dat men noodgedwongen naast elkaar woont, maar niet met elkaar. Er zijn geen gemeenschappelijkheden, geen gemeenschappelijke geschiedenis die hen bindt. Men bivakkeert naast elkaar in de hoop zich ooit elders te kunnen vestigen. Affiniteit met de straat is er niet.'' Dat vormt voor hem de aanleiding te pleiten voor een grotere betrokkenheid bij de publieke zaak.

Duidelijk is dat velen de kritiek op de leuze `integratie met behoud van eigen identiteit' opvatten als een teken van onvoldoende waardering voor andere culturen. Er is geen enkele reden zonder respect over andere culturen te spreken, maar deze leuze is voor kritiek vatbaar omdat daarmee de ervaring van migratie wordt miskend. Het is een sussende formulering, terwijl niemand moet onderschatten hoe hardhandig het afscheid van huis en haard kan zijn. Daar kunnen degenen die werkzaam zijn in de geestelijke gezondheidszorg veel en lang over vertellen.

Mimoun Naoum, werkzaam bij een RIAGG, zegt in een Volkskrant-reportage: de leuze `integratie met behoud van eigen identiteit' is een uitnodiging tot passiviteit aan beide kanten: ,,Onbewust bracht je daarmee toch de boodschap: `Zo belangrijk is die integratie niet'.''

Wanneer Nederland nu zegt een `immigratieland' te zijn, dan moet het doen wat elk immigratieland doet, namelijk nadruk leggen op de overdracht van taal, historisch besef en rechtscultuur. In de tijd van de verzuiling waren het juist deze bronnen van saamhorigheid die de culturele verschillen niet deden ontaarden in conflicten. Deze gemeenschappelijkheid is minder vanzelfsprekend in een multiculturele samenleving.

Meer culturele voorwaarden van gedeeld burgerschap kunnen en hoeven niet van overheidswege te worden aangereikt. Mijn pleidooi voor meer nadruk op integratie is dus beperkt en moet niet worden opgevat als een dwang tot assimilatie. In een land waar godsdienstvrijheid bestaat hoeft niemand zijn religieuze opvattingen te verbergen. Ook hoeft men in Nederland familierituelen, de eigen taal of affiniteit met het land van herkomst niet op te geven. Dat zulks wel gebeurt in de tweede of derde generatie en dat vaak het eigen verleden door de daarop volgende generaties weer wordt herondekt, is een heel ander verhaal. Biografieën van migranten tonen die innerlijke strijd tussen de culturen van het land van herkomst en het land van aankomst.

De beperkingen van de integratie in de achter ons liggende decennia zijn zichtbaar. Paul Schnabel onderzoekt in zijn essay De multiculturele illusie hoe de culturen in Nederland elkaar beïnvloeden. Zijn stelling is: ,,Het is duidelijk dat er geen sprake is van een overname in Nederland en door Nederlanders van elementen uit de culturen van de nieuwkomers in ons land. Omgekeerd is het ook niet zo duidelijk dat de nieuwkomers van hun kant zo gecharmeerd zijn van het eigene van de Nederlandse cultuur.''

Daarmee is lang niet alles gezegd. Er zijn genoeg migranten die zich op enigerlei manier vereenzelvigen met Nederland en een modus vivendi proberen te vinden met hun eigen verleden. En omgekeerd dient zich nu een generatie van schrijvers en kunstenaars aan die wezenlijke en verrassende inzichten zal toevoegen aan het Nederlandse zelfbeeld, zoals bijvoorbeeld Rushdie niet meer valt weg te denken uit de Britse literatuur.

Niet nabijheid en aanraking, maar afstand en vermijding zijn onwenselijk. Het gaat om de tegenstrijdige gevolgen van een cultuur die onder aanroeping van tolerantie te veel een praktijk van uitsluiting in stand lijkt te houden. In Nederland wordt een zelfbeeld gekoesterd waarin verdraagzaamheid en onverschilligheid een merkwaardig verbond aangaan.

De liberale fractievoorzitter in het parlement gaf onlangs een vraaggesprek onder de kop: `Nederlanders hebben nooit een nationale identiteit gehad'. Zo'n houding had Sylvain Ephimenco, correspondent in Nederland van Libération, op het oog toen hij kribbig schreef: ,,Je kunt inderdaad van nieuwkomers moeilijk verwachten dat zij zich met enthousiasme zullen spiegelen aan autochtonen die met enthousiasme hun eigen identiteit afwijzen [...]'. Zo wordt duidelijk dat men de beperkingen van onze houding slechts in de spiegel van een andere cultuur goed kan zien. Is dat een pleidooi voor nationale hoogmoed? Het is juist een oefening in bescheidenheid: alleen degene die zijn eigen grenzen kent, kan er overheen kijken.''

We leven in een land dat te weinig waarde hecht aan taalgemeenschap en historisch besef. Dat me verweten is traditionele geschiedenis te willen voorschrijven, is onzin. Met zoveel woorden is juist gepleit voor het opnemen van bijvoorbeeld de koloniale ervaring in het geschiedenisbeeld. Het gegeven dat velen in de Surinaamse gemeenschap zich inspannen om een monument ter herinnering aan de slavernij op te richten, getuigt van het belang dat men hecht aan de collectieve herinnering. Over `hoe' kan men lang twisten, over `waarom' niet.

Het ontgaat me waarom suggesties als die voor een museum voor de negentiende en twintigste eeuw met een verpletterend stilzwijgen werden bejegend. Waar waren al die historici toen hun vak werd geridiculiseerd? Dat Nederland vijftig jaar na de oorlog in Indonesië nog steeds worstelt met excuses en doorgaat met spreken over `politionele acties' en `excessen', is exemplarisch. Slechts wie een verhouding zoekt tot het eigen verleden zal spreken over de `zwarte bladzijden' en de `witte plekken' van het nationale geheugen. Dat is ook om een andere reden wezenlijk, want wie zich afgesneden weet van de eigen geschiedenis kan ook niet doordringen in andere culturen.

Migratie komt voort uit nood. Zelden verlaten mensen voorgoed hun eigen omgeving om de wereld eens te gaan verkennen. Meestal zijn economische ellende, oorlogen, dictatoriale regimes de achtergronden die mensen tot verplaatsing dwingen. Het talent om van die nood een deugd te maken zal lang niet iedereen gegeven zijn. Juist daarom is een ontvankelijke en verplichtende houding wezenlijk voor het welslagen van nieuwkomers in Nederland.

Het is zeker zo dat de inburgeringscursussen een verbetering zijn ten opzichte van de nonchalance van de jaren daarvoor. Nu worden nieuwkomers bij binnenkomst al snel opgevangen en krijgen ze een sociaal netwerk aangeboden. Maar er valt veel te verbeteren. In Amsterdam blijkt zo'n veertig procent van de deelnemers tijdens het inburgeringstraject af te haken. De redenen waarom mensen niet meer komen opdagen verschillen, maar de gemeente heeft besloten de verplichting tot deelname niet af te dwingen. Wie dat verstandig vindt, moet erop aandringen de wet te veranderen.

Ook anderszins zijn vragen te stellen over de inburgering. Naast de meer dan drieduizend nieuwkomers, zou in Amsterdam eenzelfde aantal `oudkomers' kunnen worden begeleid, die hier al langer leven en zich nu vrijwillig aanmelden voor de inburgeringscursussen. Maar er is voor hen momenteel geen plaats. De wachtlijsten groeien nog wekelijks.

Er is zoveel te doen. Neem de school in Amsterdam-West, die in een aantal jaren van `wit' in `zwart' is veranderd. Daar werd me het verhaal verteld over de nieuwe eerstejaars scholieren. Van de vijftig zijn er tweeëntwintig getest als `problematisch', bijvoorbeeld door taalachterstand of gedragsstoornissen. Dat komt ook doordat veel moeilijk opvoedbare kinderen nu in het reguliere onderwijs terechtkomen. Daar is niets onoplosbaars aan, maar er zijn onvoldoende middelen en mensen om deze kinderen de nodige begeleiding te geven. Degenen die geacht worden de schok van de migratie dag in dag uit te begeleiden, voelen zich in de steek gelaten door de overheden. Daarom is in Nederland het integratievermogen van instituties nog steeds zwak.

Eenzelfde geluid hoor je in de geestelijke gezondheidszorg. Joop de Jong, hoogleraar transculturele psychiatrie, zegt: ,,Het optimisme dat het wel goed komt met de tweede generatie deel ik niet. Sterker: het lijkt me een volstrekte illusie. Zeker als je de jarenlang gevoerde laisser faire-politiek blijft doorzetten. Achteraf bekeken hadden we veel eerder moeten beginnen met inburgeringscursussen en het verplicht stellen van taallessen. Dat was een perfecte vorm van preventie geweest.'' Geen politicus die luisterde, terwijl in de geestelijke gezondheidszorg zoveel kennis over migratie aanwezig is.

Ook zou men beter kunnen kijken naar spreidingsbeleid in het onderwijs en de huisvesting om kernen van achterstand te voorkomen. Volgens een artikel in deze krant (26 februari) blijken er tal van gemeenten te zijn die zo'n beleid op basis van vrijwilligheid praktiseren – Doesburg, Tiel, Maassluis en Amersfoort proberen zoveel mogelijk de vorming van `zwarte' scholen tegen te gaan. Een bijdrage in de grote steden zou zijn wanneer ouders en besturen van `witte' scholen uit eigen beweging meer allochtone kinderen zouden opnemen. Maar de weerstanden zijn bekend.

Ten slotte is een beheersing van de migratie in ieders belang. Het aantal nieuwkomers dat een land kan opvangen zal mede afhangen van het succes waarmee eerdere generaties migranten zich een plaats in de samenleving hebben kunnen verwerven. Vaak hoort men dat immigratie niet echt te controleren is. Volgens deze redenering is een volksverhuizing op gang gekomen waarvan we pas de eerste golven meemaken, maar die zal doorzetten. De kloof tussen arm en rijk in de wereld neemt toe en dus zullen mensen naar het welvarende Westen komen. Vooralsnog is de stelling dat het een onbeheersbare ontwikkeling betreft niet bewaarheid en er is veel aan gelegen om een dergelijke impasse te vermijden.

Het recht op asiel is iets anders dan immigratie, hoewel in de praktijk van alledag beide door elkaar lopen, al was het maar omdat ons land weinig reguliere mogelijkheden tot immigratie kent. Nederland behoort principieel open te staan voor vluchtelingen. Wie daarvoor pleit moet erbij zeggen dat asielzoekers vaak een traumatisch verleden hebben en dus een zorgvuldiger opvang behoeven dan nu vaak het geval is. De vraag stellen of Nederland in Europa voorop moet willen lopen met de opvang van asielzoekers – wat waarschijnlijk door een harmonisering van het asielbeleid zal veranderen – is echt wat anders dan een pleidooi voor opschorting van het vluchtelingenverdrag, zoals sommigen lukraak beweren.

Degenen die, zoals de socioloog Kees Schuyt, hebben geschreven dat er geen specifiek vraagstuk van de allochtone gemeenschappen is, maar dat er eenvoudigweg een probleem van sociale achterstand is, ongeacht het land van herkomst, hebben in één opzicht gelijk. Het debat over de omgang met de multiculturele samenleving is de samenballing van een veel breder probleem. We leven in een samenleving waarin private rijkdom en publieke armoede steeds scherper contrasteren. Anders gezegd: de tweedeling in het onderwijs lijkt zich ook door te zetten in de gezondheidszorg, de openbare orde en de rechtsbescherming. Wat gaat het kabinet doen met een begrotingsoverschot nu na vijfentwintig jaar bezuinigen zoveel achterstallig onderhoud in de samenleving zichtbaar is geworden?

Het gaat niet alleen om investeren, maar ook om de kritische waardering van een zelfbeeld, dat Adriaan van Dis ooit geestig omschreef: ,,Het labbekakkerig gedogen is onze identiteit.'' De vraag is of die houding de vrijheid nog steeds bevordert. Een heroverweging is nodig, niet om Nederland te hervormen in een samenleving waar de dwingelandij hoogtij viert. Het is juist een van de aardige trekjes van dit land dat het een lange traditie van tolerantie heeft. Die ontspannen samenleving heeft een uitnodigende, maar ook een beperkende werking.

Men moet beseffen dat tolerantie uiteindelijk een gebaar is dat naar believen weer kan worden ingetrokken. Daarom ook behoort in de omgang met de minderheden uiteindelijk niet de tolerantie te zegevieren, maar de gelijkheid. Het gaat om volwaardig burgerschap. De verdediging van een open samenleving in een steeds grenzelozer wereld dwingt tot opnieuw nadenken over de fundamenten van onze democratie. Niet om mensen uit te sluiten, maar om mensen in te sluiten. De stelling van Enzensberger in zijn De grote volksverhuizing (1992) lijkt gerechtvaardigd: ,,De bereidwilligheid en het vermogen tot integratie kan tegenwoordig in geen enkel land en aan geen enkele kant meer verondersteld worden. De multiculturele samenleving blijft een loze kreet zolang de moeilijkheden die door dat begrip worden opgeroepen worden getaboeïseerd maar niet opgelost.''

Misschien hebben de afgelopen maanden bevestigd dat er meer bereidwilligheid en vermogen tot integratie bestaat in dit land. Een grote inspanning en gevoeligheid blijft aan alle kanten nodig om deze ingrijpende verandering van de Nederlandse samenleving een goed vervolg te geven. Daarbij helpt gelatenheid die zich verkoopt als geduld met goede bedoelingen niet echt.

Naast hardnekkige vormen van achterstand is een ander tekort zichtbaar. Hoe open staat de Nederlandse samenleving voor het nieuwe talent dat zich aandient? De kortste zin in het debat was afkomstig van de schrijver Kader Abdollah: ,,Paul Scheffer ga aan de kant.'' Hij vervolgde iets uitnodigender: ,,Nederland is nu ook van ons.'' Kom maar met plannen en kritiek, zolang er meer met elkaar wordt gepraat en minder langs elkaar heen geleefd. De vermijding moet ophouden: niemand hoeft aan de kant te gaan.

Paul Scheffer is publicist.

Zijn eerste artikel over het multiculturele drama stond op 29 januari in de krant. Daarna volgden vele reacties. Alle in deze reeks gepubliceerde artikelen zijn te vinden op Internet. Met bovenstaande beschouwing van Scheffer is de serie `Het multiculturele drama' op de opiniepagina afgesloten.

Discussie: www@nrc.nl