Eigendunk eerst

In Japan is zelfkritiek de norm, waar in Amerika en Europa juist de eigendunk centraal staat. Verschillen in cultuur leveren grote verschillen in persoonlijkheid op. In de Japanse cultuur is evenwicht belangrijker dan een goed gevoel.

IN DE VERENIGDE STATEN, en in mindere mate Europa, staat zelfvertrouwen (c.q. `eigendunk') als persoonlijke eigenschap in hoog aanzien. Wie geen positief beeld van zichzelf heeft, heeft al gauw een psychisch probleem, geldt het in de Westerse cultuur. En zo is het ook. Een laag zelfvertrouwen gaat veel vaker dan gemiddeld samen met zaken als drugsmisbruik, ruzie thuis, slechte gezondheid, angst en slechte schoolprestaties. Lage eigendunk wordt als een belangrijke factor in die problemen gezien, niet alleen als het gevolg ervan. In het welzijnswerk, in het onderwijs, in de opvoeding, ja bijna overal wordt daarom heel veel moeite gedaan om mensen een positief zelfbeeld te geven: `Je kunt het!'. In veel Amerikaanse scholen is iedere dag een van de kinderen de VIP van de dag: iedereen een ster!

Zelfvertrouwen is een soort psychologische huisgod geworden. Zoals de Amerikaanse self-esteem-psycholoog Roy Baumeister het vorig jaar in een interview met deze krant uitdrukte: `De Westerse cultuur stelt enorme en ongehoorde eisen aan het individu. Het zelf is een eindeloos project geworden. En het moet voortdurend worden onderhouden en verdedigd.' Deze dominantie van zelfvertrouwen is cultureel bepaald. De historische wortels liggen waarschijnlijk ergens in de zestiende en zeventiende eeuw: het ontstaan van het kapitalisme en Westers rationalisme.

In niet-Westerse gebieden ligt het anders. `De huidige ideeën over self-esteem zijn een prototypisch Noord-Amerikaans psychologisch construct', schrijven vier psychologen uit Canada, de VS en Japan in een uitvoerig overzichtsartikel in Psychological Review (oktober 1999, Is there a universal need for positive selfregard?'). Ze spreken zelfs van `etnocentrische inertie'.

In Japan – en de meeste andere Oost-Aziatische landen – blijkt zelfkritiek veel dominanter dan eigendunk. Volgens de Amerikaanse standaarden hebben de meeste Japanners een vrij negatief zelf-gevoel, maar het lijkt ze vreemd genoeg weinig te kunnen schelen. Gebrek aan gevoel van eigenwaarde gaat in Japan niet samen met de sociale en psychologische problemen die er in het Westen de vaste begeleider van zijn.

Steven J. Heine van Pennsylvania University (eerste auteur van het Psychological Review-artikel) onderzocht het zelfvertrouwen bij zeven verschillende groepen (Japanners die Japan nooit verlaten hebben, Japanners die een tijd in het Westen hebben gewoond, tot en met derde generatie Aziatische immigranten in Canada en Europese immigranten). De gemiddelde score op de self-esteemvragenlijsten blijkt nauw samen te hangen met de participatie in de Westerse cultuur: Japanners die hun land nooit hadden verlaten scoorden het laagst, Europese Canadezen het hoogst.

UITWISSELING

Sterker nog, bij onderzoek onder Japanse uitwisselingsstudenten op bezoek in Canada bleek dat hun zelfvertrouwen tijdens hun verblijf van zeven maanden significant was toegenomen. Een andere studie wees uit dat de mate waarin de studenten zich hadden aangepast aan de Canadese levenswijze nauw samenhing met hun toename in zelfvertrouwen. Het omgekeerde gebeurt ook, zo is aangetoond bij Canadese leraren Engels die zeven maanden in Japan verbleven. Hun eigendunk daalde.

De verklaring voor het lage zelfgevoel zoeken de auteurs van het Psychological Review-artikel in het feit dat in de Japanse c.q. Oost-Aziatische cultuur mensen anders tegen zichzelf aankijken. Andere cultuur, ander zelf, andere persoonlijkheid. Die andersheid van de Japanse cultuur ten opzichte van de Amerikaanse ligt in de tegenstelling collectivisme-individualisme, aldus Heine c.s.. Uit internationale vergelijkende onderzoeken blijkt overduidelijk dat culturele waarden als onafhankelijkheid en individualisme sterk samenhangen met een groot gevoel van eigenwaarde. Oost-Aziaten die wel hoog scoren op de self-esteemvragenlijsten geven tevens blijk van een individualistisch waardenpatroon.

Om determinisme (`de cultuur maakt de man') te vermijden, maken Heine en zijn mede-auteurs een duidelijk onderscheid tussen het individuele zelf en wat ze noemen de selfways van een cultuur: de verschillende paden die binnen een cultuur voor een individu openstaan. Deze ideeën over `hoe iemand een persoon kan zijn' worden weerspiegeld in de belangrijke verhalen van een cultuur, de metaforen, de beelden, de spreekwoorden, et cetera. Maar belangrijker nog is dat deze ideeën worden gedragen door gewoonten en praktijken die als `natuurlijk' en gewoon worden beschouwd in een cultuur. Wat `iemand-zijn' betekent is sterk afhankelijk van de deelname aan die culturele omgeving. Heine spreekt in dit verband over `resonantie' tussen zelf en cultuur. Met eenvoudige proefjes is deze resonantie zichtbaar te maken: mensen die wordt voorgehouden dat zij `netjes' zijn blijken vervolgens vaker dan voorheen proppen papier van de grond op te rapen. Wie is `wijsgemaakt' dat hij of zij een eerlijk persoon is, geeft vervolgens vaker een geleend potlood terug. Op dezelfde manier zweven in ieders hoofd cultureel bepaalde zelfdefinities rond.

Het Japanse collectivisme heeft een slechte naam. Volgens het nog altijd heersende cliché-beeld van de Japanner heeft hij eigenlijk überhaupt weinig individualiteit: allemaal dezelfde pakken, allemaal dezelfde bezigheden, allemaal een slaaf van hun werk en op vakantie maken ze allemaal dezelfde foto's. In een beroemd en omstreden boek (The anatomy of dependence, 1973) herleidde de Japanse psychiater T. Doi het collectivisme van zijn landgenoten op amae: het Japanse woord voor de afhankelijke liefde die een kind voor zijn moeder voelt. Het zelf van Japanners zou sterker door die kinderlijke afhankelijkheid worden gekenmerkt dan dat van andere mensen. Volgens Doi zouden veel Japanners amper een zelfstandige persoonlijkheid hebben.

Deze freudiaanse veroordeling van een heel volk tot een geremde persoonlijkheidsontwikkeling wordt tegenwoordig nauwelijks serieus genomen. Niettemin wordt in de culturele psychologie het collectivisme op nationaal cultureel niveau wel degelijk in verband gebracht met de tegenstelling op persoonlijkheidsniveau tussen `idiocentrisch' en `allocentrisch', oftewel: stel je jezelf centraal of anderen? In een collectivistische cultuur is het bijvoorbeeld veel belangrijker dat emoties gedeeld worden: `jij ongelukkig, ik ongelukkig, jij blij ik blij'. In een individualistische cultuur wordt sterker gelet op een gelijke verdeling van voordelen (`Als jij mij meeneemt naar de bioscoop zal ik vriendelijk tegen je doen').

Heine c.s geven een barrage aan voorbeelden en onderzoeksresultaten die deze tegenstelling oproepen. Een individu in het Westen beschouwt zichzelf doorgaans als een autonoom handelend persoon: als een verzameling van eigenschappen die hijzelf evalueert op grond van zijn eigen normen. In de omgang met anderen zoekt dit individu bevestiging van dit oordeel, maar in principe ontleent hij zijn oordeel over zichzelf niet aan dat van anderen. Dit leidt meestal tot een positieve illusie over zichzelf, en dat leidt vaak tot overschatting van de eigen capaciteiten.

De Westerse opvoeding stimuleert het ontstaan van dit type persoon. Noord-Amerikaanse kinderen (vooral binnen de nog altijd dominante `WASP'-cultuur van witte Angel-Saksische protestanten) worden bijna voortdurend aangemoedigd onafhankelijk en autonoom te zijn. Ze krijgen hun eigen bed en hun eigen kamer. En op school worden ze door hun leraren steeds vaker individueel bekeken en onderwezen. Reeds bij baby's staan de autonome activiteiten centraal als mijlpalen in de ontwikkeling: rollen, zitten, lopen, zelfstandig eten. Het wordt verder als normaal beschouwd dat kinderen het ouderlijk huis verlaten en hun eigen dromen volgen. Hoe pijnlijk soms, maatschappelijk en ideologisch zal het kind zijn eigen weg moeten zoeken. Er is niet één enkel ideaalbeeld waaraan een kind hoeft te voldoen, `als het maar zichzelf kan zijn en gelukkig is'.

In de Japanse cultuur staat in het beeld van een persoon daarentegen de context van dat individu centraal: zijn sociale relaties, zijn verplichtingen, de sociale functies die hij moet vervullen. Een individu ontleent zijn betekenis niet aan zijn persoonlijke eigenschappen, maar aan de relaties met anderen, aan zijn deelname aan een web van wederzijdse en bindende sociale relaties. Vergeleken met Amerikanen wordt gedrag van Japanners minder bepaald door innerlijk overtuigingen en verlangens, en meer door signalen uit de sociale omgeving, aldus Heine c.s..

Waar in Amerika scholen prijzen kunnen winnen met de beste `zelfvertrouwen-stimulerende activiteit', speelt in de Japanse opvoeding en het onderwijs juist het mechanisme van de hansei (zelfreflectie) een belangrijke rol: het kind wordt aangemoedigd na te denken over zijn zwakke punten ten opzichte van zijn rashisa, het ideaalbeeld. Iedere ontwikkelingsfase, iedere maatschappelijke positie heeft zijn eigen rashisa. Zelfs in de taal komt dit sterk tot uiting. Achter vrijwel ieder zelfstandig naamwoord kan het partikel rashii worden geplakt, met de betekenis `zoals het hoort'. Oftewel: `hij is (man)-rashii' betekent: `hij gedraagt zich als een echte vent', enzovoorts. `Uiteindelijk ontwikkelen Japanse individuen de mentale gewoonte om de toestand van hun zelf te vergelijken met het ideaal van de rol die ze spelen', aldus Heine c.s. `Omdat iedere discrepantie met dit ideaal negatief is, is het zelfbeeld van Japanners doorgaans kritisch en bescheiden, maar deze zelfkritiek staat wel in dienst van toekomstige verbeteringen en prestaties van het zelf.'

In Japan hebben prestaties weinig met zelfvertrouwen te maken. In een interview met de Daily Pennsylvanian vertelt Heine hoe verbijsterd hij was toen hij als student in Japan de eerste prijs won in een voordrachtswedstrijd. Tijdens de prijsuitreiking werd van de winnaars iedere fout apart genoemd, van lof of zelfs maar felicitaties was geen sprake. Pas later realiseerde Heine zich dat dat de Japanse manier van aanmoediging was: als je je bewust bent van je fouten kun je nóg beter worden. Alleen oefening baart kunst. Een Japanse sushi-chef wordt niet eens serieus genoemen als hij al niet meer dan tien jaar sushi maakt. De Japanse vechtkunsten, de kalligrafie, de theeceremonies, voor dat alles geldt: voortdurende perfectionering is vanzelfsprekend. `Het lijkt erop dat in de Japanse cultuur het proces om almaar beter te worden belangrijker is dan om goed te zijn', schrijven Heine cs.

In zo'n wereldbeeld zijn mislukking en kritiek geen bedreiging meer voor het zelf dat zijn waarde niet primair ontleent aan de eigen prestaties. Wanneer aanleg en `capaciteiten' belangrijker worden gevonden, zoals in het Westen, worden kritiek en falen veel eerder persoonlijk opgevat en vormen ze gemakkelijker een bedreiging voor het zelfvertrouwen. In Amerika geven docenten hun leerlingen liever niet al te moeilijke taken, terwijl dat in Japan juist als het middel bij uitstek wordt gezien om de ontwikkeling van hun leerlingen te stimuleren.

EMOTIONALITEIT

Door de verschillende definities van de waarde van een persoon worden ook geluk en emotionaliteit verschillend beoordeeld in Japan en het Westen. In een cultuur waar de autonomie van het zelf hoog wordt gehouden, zijn emoties bij uitstek positief, want emotionele ervaringen vormen een belangrijk aspect van de eigen identiteit. Maar in het Japanse systeem van onderlinge afhankelijkheid kunnen juist alleen gematigde en beteugelde emoties worden toegelaten. Een hoogtepunt in Japanse melodrama's vormt altijd weer de scène waarin de held zijn krachtige emoties de kop indrukt. De prijs voor die onderdrukking is een lager aantal positieve emoties. Amerikanen en Europeanen ervaren relatief vaker positieve emoties dan Japanners en andere Oost-Aziaten, die in onderzoeken ongeveer evenveel positieve als negatieve emoties zeggen te ervaren.

Uit weer een ander onderzoek blijkt dat `tevredenheid' (life satisfaction) in individualistische samenlevingen samenhangt met `prettige gevoelens'. In collectivistische landen hangt `tevredenheid' samen met `het zich houden aan de normen'. In de Japanse traditie bezit `geluksgevoel' (happiness) niet het hoge aanzien waarin het in het Westen staat. In een internationaal onderzoek kozen Noord-Amerikanen `gelukkig zijn' het eerste uit een lijst van twintig eigenschappen. Bij Japanners eindigde `gelukkig zijn' op 18de plaats.

Geluk in Japan is vooral afwezigheid van negatieve zaken en emoties. Dit verschil komt al tot uiting in de manier waarop moeders met hun baby's omgaan. Amerikaanse moeders `praten' relatief vaker met hun baby wanneer deze `gelukkige geluidjes' maakt dan wanneer hij ongelukkig is. Bij Japanse moeders is dat precies andersom. In de ene cultuur worden de positieve emoties gestimuleerd, in de andere ligt de nadruk op het sussen van negatieve gevoelens. In de Japanse cultuur is evenwicht belangrijker dan een goed gevoel, aldus Heine c.s. Gelukkige ervaringen gaan snel weer voorbij, geloven veel Japanners, en er zal later altijd voor betaald moeten worden door nieuwe negatieve ervaringen. Een gebruikelijke uitdrukking is zelfs: `het is angstaanjagend zo gelukkig als ik ben' (shiawase sugite kowai). In Amerika is de formule voor geluk simpeler: hoe meer hoe beter.