Een goed museum trekt aandacht

,,Iedereen wil nu een Gehry'', zei de Amerikaanse architect Frank Gehry vorig jaar tijdens zijn lezing in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Een jaar eerder was het door hem ontworpen Guggenheim Museum in Bilbao geopend. Niet alleen heeft deze orgie van wervelende, glanzende vormen een desolaat rangeerterrein aan de rand van de oude stad weer tot leven gewekt, maar ook gezorgd voor een stroom van 1,4 miljoen toeristen. Door het succes van zijn museum werd Gehry gek gebeld door stadsbesturen over de hele wereld die ook zoiets wilden. Met Arnhem had hij al de eerste verkennende besprekingen achter de rug, vertelde hij, en ook met verschillende Poolse steden had Gehry contact gehad.

Gehry's Guggenheim, het opzienbarendste museum van het vorige decennium, behoort uiteraard tot de twintig museumontwerpen die zijn uitverkoren voor de mooie, goed verzorgde expositie Museums for a New Millennium in het Hessenhuis in Antwerpen. Foto's, uitgebreide plattegronden en vaak schitterende maquettes geven hier een beeld van niet alleen bekende musea die de laatste jaren zijn opgeleverd, maar ook van nooit of nog niet uitgevoerde ontwerpen. Zo hangt en staat het Getty Center in Los Angeles uit 1998 van Richard Meier broederlijk naast het ongebouwd gebleven Zentrum für Kunst und Medientechnologie van Rem Koolhaas. Van de vloedgolf nieuwe musea, die in de jaren negentig ook Nederland trof, heeft alleen Aldo Rossi's Bonnefantenmuseum in Maastricht de Antwerpse parade van musea gehaald.

Musea zijn de kathedralen van deze tijd, zo luidt het cliché. Elke beetje stad in Europa, Amerika en Japan wil tegenwoordig een opzienbarend museumgebouw. Alleen al in de Verenigde Staten worden de komende jaren meer dan vijftig nieuwe, grote musea opgeleverd. Maar anders dan in de Europese Middeleeuwen is er nu niet één internationale, gotische stijl voor de nieuwe kathedralen, zo laat de tentoonstelling in Antwerpen zien. Van neo-modernisme tot postmodernisme en van neo-rationalisme tot deconstructivisme – ook bij musea geldt het postmoderne credo `anything goes'. De enige eis is dat ze aandacht trekken en zo de concurrentiepositie van steden versterken.

De keerzijde van de spectaculaire musea is dat ze vaak ook concurreren met de kunstwerken waaraan ze onderdak moeten bieden. Sommige architecten zien hun museumgebouw dan ook het liefst leeg. Zo liet de inmiddels overleden Britse architect James Stirling zich over zijn uitbreiding van de Staatsgalerie in Stuttgart uit 1981 eens ontvallen dat `het gebouw nog beter is zonder de inbreuk van de kunstwerken'. En de Duitse schilder Markus Lüpertz stelde in 1984 vast dat de nieuwe musea prachtige, opmerkelijke bouwwerken zijn, maar ook ,,vijandig staan tegenover andere kunst. Eenvoudige, onschuldige schilderijen en eenvoudige, onschuldige beelden kunnen er niet mee concurreren...'' Zestien jaar later is er nog niets veranderd. Het Guggenheim Museum in Bilbao is wat dit betreft weer exemplarisch. Dankzij tijdschriften, James-Bond-films en videoclips weet iedereen inmiddels hoe dit museum eruit ziet, maar weinig mensen weten wat er te zien is.

Hedendaagse musea drukken de kunst weg, zo luidt ook de conclusie van Vittorio Magnano Lampugnani, de vroegere directeur van het Duitse architectuurmuseum die de tentoonstelling samenstelde. Ook het `minimalisme', een van nieuwste architectuurstijlen die ook in de museumbouw opgang heeft gemaakt, biedt geen uitkomst. Op het eerste gezicht lijkt het terughoudende minimalisme van architecten als Álvaro Siza Vieira en Peter Zumthor bij uitstek geschikt voor musea, schrijft Lampugnani in de catalogus. Maar schijn bedriegt: ,,De zelf opgelegde, onverbiddelijke esthetische wetten leiden tot merkwaardige of zelfs opdringerige ruimten die in strijd zijn met het doel dat ze zouden moeten bereiken.'' Zo oogt Peter Zumthors Museum voor Beeldende Kunsten in Bregenz uit 1997 met zijn matglazen gevels heel neutraal, maar blijkt in praktijk voor veel kunst toch ongeschikt als tentoonstellingsruimte.

Lampugnani eindigt zijn artikel met een pleidooi voor museumarchitectuur waar kunst op een ouderwetse manier `verlichting van de geest' kan bieden. Maar daar is weinig kans op, zo blijkt uit het slot van de tentoonstelling dat bestaat uit ontwerpen van toekomstige musea. Of het nu om het Bellevue Art Museum van Steven Holl in de Amerikaanse staat Washington gaat of om Zaha Hadids deconstructivistische Contemporary Arts Center in Ohio, ook de eerste musea van de 21ste eeuw zijn in de eerste plaats spectaculaire bouwwerken, waarvoor architecten alle registers hebben opengetrokken.

Deze musea sluiten aan bij een ontwikkeling waaraan Museums for a New Millennium merkwaardig genoeg aan voorbijgaat, maar die zich onweerstaanbaar voordoet: binnensteden worden steeds meer oorden van vermaak, aaneenschakelingen van winkelparadijzen, megaplexen, stadions, cafés en restaurants. Ook musea spelen hierin een rol, niet als plechtige plekken voor `verlichting', maar als een `vermaakscentrum' met als attracties een goed café-restaurant, een grote boek- en geschenkenwinkel, een beetje kunst en vooral spraakmakende architectuur.

Tentoonstelling: Museums for a New Millennium. T/m 30 april in het Hessenhuis, Falconrui 53, Antwerpen. Di-zo 11-17 uur. Catalogus (Engels, met Nederlandstalig supplement) 1000 BFR.