De revolutie verraden

Met het gloren van de glasnost werden voor het eerst sinds Stalin de Russische archieven toegankelijk. Eindelijk kon het land zijn eigen geschiedenis recht in de ogen kijken. Wanneer Poetin zondag tot president wordt gekozen, is het uit met de openheid. `We hebben de parel gezien, maar de oester sluit zich weer.'

Het gebeurde in de dolle zomer van 1992. De kasseien van het Rode Plein gloeiden en de erewacht bij het Lenin-mausoleum zweette het uit. Van enige opwinding was niets te merken, die bevond zich om de hoek, in een zijsteeg, in de koele depots van de Russische staatsarchieven.

Twee Nederlandse archivarissen kregen daar voor het eerst toegang tot de schatkamers van de Communistische Partij. Hun vingers wandelden over de ruggen van explosieve dossiers in de kast `Holland'. Er lagen rijen mappen met het label sekretno. Nee, het was nog te vroeg om die in te kijken, maar als ze wilden mochten de twee alvast een inventarisatie maken. ,,Bakker, Marcus'', zo krabbelden ze in hun schrift. ,,Brouwer, Ina; Gortzak, Henk; Meis, Fré...'' In de gauwigheid telden ze 86 dossiers van prominente CPN-leden die zonder het te weten in het brandpunt van de Russische belangstelling hadden gestaan. Over Paul de Groot, de gevreesde partijleider uit de jaren vijftig, bewaarden de kameraden een uitpuilende map vol (belastende?) gegevens – de dikste van allemaal.

Deze en andere opzienbarende archiefvondsten kenmerkten het begin van het tijdperk-Jeltsin. De `democraat' uit de Oeral had juist zijn finest hour beleefd: staande op een tank met een gebalde vuist in de lucht. Ter consolidatie van zijn macht liet hij in hoog tempo de vuile was van zeven decennia communisme buiten hangen. De apparatsjiks hadden hun tijd gehad en moesten nu lijdzaam toezien hoe ook hun laatste held van zijn sokkel werd getrokken. Niet alleen Stalin, ook Lenin was een tiran. Om die boodschap in te wrijven doken er in de zomer van 1992 karrenvrachten brisant materiaal op uit de partijkelders.

Om eens wat te noemen: de hemelsblauwe dagboekschriftjes van Ruslands laatste tsarina, Alexandra, tot de avond van haar executie in juli 1918. (,,Bezique gespeeld met Nicolaas. Om 10 uur 30 naar bed gegaan.'') Alsook: het telegram waarin Lenin tegenover een Deense krant de moord(plannen) op de Romanovs ontkent (,,Ex-tsaar veilig. Alle geruchten over diens dood zijn slechts leugens van de kapitalistische pers''), luttele uren later gevolgd door het bevel om de complete tsarenfamilie met kok en lijfarts en al in hun verbanningsoord in Jekaterinenburg te fusilleren.

Alsof Jeltsin blindgangers liet uitgraven om die alsnog tot ontploffing te brengen. Het Sovjet-systeem was nu eenmaal moorddadig, en voor een bouwer van een open samenleving gaf het geen pas om dat te verhullen. Je zou kunnen zeggen: hoe toegankelijker de archieven, hoe vrijer de Rus. Anders gezegd: je kon het democratisch gehalte van Jeltsins bewind aflezen aan de openheid over het verleden.

Op oudejaarsdag, 31 december 1999, droeg tsaar Boris de presidentiële sjerp en het atoomkoffertje onverwachts (en weinig democratisch) over aan kroonprins Vladimir. Deze schriele, onopvallende man is een volbloed KGB'er. ,,Ik zie mijzelf als een geslaagd product van de patriottische Sovjet-opvoeding'', zegt de 47-jarige Poetin over zichzelf. Over 1937, het piekjaar van de Stalin-terreur, haalt hij zijn schouders op. Dat was voor zijn tijd, en heus, KGB-agenten als hij waren dienaren van de staat.

Zijn gedweep met de geheime dienst ten spijt wordt Poetin morgen tot president van Rusland gekozen. Wat betekent dat? Markeert de millenniumwisseling dan toch een scherpe cesuur in de Russische geschiedenis? Zullen de Jeltsin-jaren later herinnerd worden als ,,het democratisch intermezzo''? Ofwel: als we de toegankelijkheid van de Sovjet-archieven als barometer gebruiken, is er dan met Poetin zwaar weer op komst?

Op de kop af twee jaar geleden, toen Jeltsin en ook de roebel nog uit alle macht werden gestut, beklom ik de trappen van het Centrum voor de Bewaring van Eigentijdse Documentatie in Moskou. Een statig pand van voor de revolutie in een zijsteeg van het Rode Plein. Al was de Unie van Socialistische Sovjet Republieken al weer jaren ter ziele, in dit archief hing nog altijd een pregnant communistische sfeer. Een kathedraal van een leeszaal. Gewelfd. Hoge ramen met uitzicht op de wolken. In slagorde opgestelde bureaus, met daarop nederig gekromde leeslampjes, opdat de bezoekers zich heel klein zouden voelen.

Ergens in deze kolos bevonden zich de persoonsdossiers van 86 Nederlandse communisten. Net als een handvol nieuwsgierige onderzoekers die mij voor waren geweest, hoopte ik die te bemachtigen. De grootste buit was de vuistdikke Paul de Groot-map, maar ook met schrijver Theun de Vries of Waarheid-hoofdredacteur Gijs Schreuders zou ik tevreden zijn. Wat voor inlichtingen hadden de Russen over hen vergaard? En hoe zat het nou precies met die sponsoring door Moskou van de Stop de Neutronenbom-actie?

Omdat de persoonsgebonden dossiers nimmer te grabbel waren gegooid – ook niet volgens de nieuwe, liberale wetgeving – had ik een gewaarmerkte, in het Russisch vertaalde volmacht van een voormalig CPN-bestuurder meegebracht. Als het zou lukken om zijn dossier in te zien, dan lagen ook de andere 85 mappen binnen handbereik.

De archivaris die mij te woord stond was een man met sluik haar en slanke vingers, als van een pianist. Joeri Michailovitsj. Hij deed alsof hij onder de indruk was van het setje getekende en gestempelde documenten. ,,Geef me een week'', zei hij. Hij nam mijn A4'tjes in ontvangst en liet mij alleen achter in de imposante leeszaal, waar Karl Marx mij vanaf een metershoge schildering aan de wand in de gaten hield. Toen ik een week later terugkwam nodigde Joeri Michailovitsj me in zijn kantoor, waar hij thee met citroen serveerde. De archivaris zei dat hij materiaal had gevonden dat mij mogelijk interesseerde. Maar, zo voegde hij er meteen aan toe, er was een probleem. ,,Ik kan die dossiers niet zomaar vrijgeven.''

Ik knikte. Zorgvuldig omspringen met persoonsgegevens leek me een teken van beschaving. Archieven waren geen neutrale opslagplaatsen van al dan niet vergeeld papier. In handen van kwaadwillende regimes konden bevolkingsregisters een zaak van leven en dood zijn, en onder Stalin (en Hitler) waren ze dat zeker. De NKVD, de voorloper van de KGB, had zich in 1938 meester gemaakt van de staatsarchieven om de samenleving doelmatig te kunnen zuiveren van Trotskisten en andere ,,vijanden van het volk''. In 1939 werden op basis daarvan 108.694 saboteurs ontmaskerd, gemarteld, verbannen of meteen ter dood veroordeeld. Het jaar daarop: 1.399.217.

De historicus R.W. Davies van de Universiteit van Birmingham, van wie deze cijfers afkomstig zijn, memoreert in zijn wetenschappelijke artikel `Soviet History in the Jeltsin Era' dat ook de openbaar aanklagers in Stalins showprocessen zwaar leunden op de archieven. Daarin werden de rapportjes van de NKVD-verklikkers netjes gerubriceerd en opgeslagen. Onbevoegden hadden daar niets te zoeken. Omdat buiten de leugen regeerde, diende de gedocumenteerde werkelijkheid achter slot en grendel te blijven.

In de Sovjet-tijd waren de archieven – in de woorden van Davies – dan ook net zo onneembaar ,,als een middeleeuwse burcht''. Slechts kortstondig, tijdens de dooi onder partijleider Chroesjtsjov, gingen de deuren op een kier, precies wijd genoeg om de gewenste hoeveelheid incriminerend materiaal over Stalins persoonlijkheidscultus in het publiek domein te spuien.

Als buitenstaander, laat staan buitenlander, kwam je domweg niet in de buurt van historisch waardevolle stukken. Zo groot was de paranoia dat in de SpetsChran (speciale bewaarplaats, afgeschermd voor gewone stervelingen) van de Moskouse Lenin-Bibliotheek eind jaren tachtig 298.239 boeken, 521.054 tijdschriften en 2.498.800 kranten bleken te liggen die ooit nihil obstat waren verspreid, maar bij nader inzien door de Sovjet-censuur toch uit de roulatie waren gehaald. Politieke incorrecte werken die in het buitenland verschenen, zoals de veertiendelige History of Russia van E.H. Carr, werden in het Russisch vertaald en vervolgens in een beperkte, genummerde oplage in de SpetsChran opgeslagen.

Met het ineenstorten van de Sovjet-Unie verslapte ook de greep op het verborgene. Als kenner van het Russische archiefwezen spreekt Davies van de ,,euforische dagen van eind 1991 toen het leek of elke vorm van geheimhouding opzij gezet zou worden''. Voor historici volgde de werkelijke revolutie in de zomer van 1992. De archieven, waarvan Lenin in 1918 had beweerd dat ze ,,het volk toebehoren'', gaven kostbare schatten prijs. Zo delfde men uit de depots van de KGB twee onbekende manuscripten op van de schrijver-treinmachinist Andrej Platonov (1899-1953), die bewaard waren gebleven dankzij de confiscatiedrift van mannen-in-lange-jassen.

Daar stond tegenover dat het lot van de joodse schrijver Isaak Babel nog gruwelijker was dan in de Chroesjtsjov-jaren was toegegeven. Destijds, nota bene bij zijn rehabilitatie, konden de ware omstandigheden van zijn dood nog niet naar buiten komen. Babels overlijdensakte bleek te zijn vervalst, zodat daar niet uit op te maken viel dat de meester van het korte verhaal niet op transport was gesteld naar de Goelag, maar meteen in het KGB-hoofdkwartier in Moskou was afgeschoten. Als een hond.

Maar lang duurde de nieuwe openheid niet. Aan de vooravond van Jeltsins tweede ambtstermijn, halverwege 1996, kun je volgens professor Davies het hoofdstuk ,,De Revolutie Verraden'' laten aanvangen.

Wat was er gebeurd? De archivaris Joeri Michailovitsj had me in de verstilde leeszaal verteld dat Jeltsin de archiefsluizen sinds zijn herverkiezing weer langzaam was gaan dichtdraaien. Het proces van declassificatie van documenten lag al stil vanaf eind 1994. Jeltsin wilde een staatscommissie benoemen die voortaan zou waken over het vrijgeven van gevoelig materiaal. ,,Daarin zullen voor het eerst ook weer leden van de geheime dienst zitting hebben'', sprak de archivaris op gedempte toon. De persoonsdossiers, ook die van de 86 Nederlandse communisten, waren op bevel van hogerhand in verzegelde postzakken gestopt. Het speet hem, maar hij kon er niet meer bij. Of ik wist dat zijn directeur was ontslagen om een rel over een uitgelekt document?

Daar had ik over gelezen: een Australiër was hier op een brief gestuit over het aantal Amerikaanse soldaten dat in Noord-Vietnam krijgsgevangen was gemaakt. Het ging niet om 368 POW's, zoals Hanoi altijd had beweerd, maar om 1.208. Die onthulling, breed uitgemeten in The New York Times, bracht veel beroering teweeg onder Vietnam-veteranen en nabestaanden van vermisten. Er klonk ijzige kritiek: waarom had Moskou deze kennis niet eerder met Washington gedeeld?

,,Onze nieuwe directeur stelt zich veel behoedzamer op'', legde de archivaris uit.

Een ander omstreden document uit zijn archief had een schandaal teweeggebracht in Italië. De salonfähige Eurocommunisten van de Partito Communista Italiano kregen er een gevoelige electorale knauw door. Ex-partijleider Togliatti bleek in 1943 aan een kameraad het volgende te hebben geschreven over krijgsgevangenen van Mussolini in handen van het Rode Leger: ,,Ik ben geen wreed man, zoals je weet. Ik ben net zo menselijk als jij, of als de dames van het Rode Kruis misschien... In de praktijk echter, als er een groot aantal krijgsgevangenen sterft wegens de slechte omstandigheden die er heersen, dan zie ik daar niets in wat de moeite van het discussiëren waard is.''

Het maakte mij des te nieuwsgieriger naar de kast `Holland'. Mochten de persoonsdossiers off limits blijven, kon ik dan niet eens grasduinen in de algemene stukken over Nederland? Joeri Michailovitsj keek bedenkelijk, maar beloofde opnieuw zijn best te doen. ,,Als ik wat heb, dan bel ik wel'', stelde hij voor.

Ik vreesde dat mijn verzoek te laat kwam. In Westerse ogen hield Jeltsins imago van democraat en markthervormer nog stand, maar in werkelijkheid bediende hij zich steeds vaker van de oude trukendoos van de KGB. In zijn krampachtige poging de greep op de macht te behouden, benoemde hij in 1998 een loyale KGB-veteraan tot hoofd van de geheime dienst FSB. Zijn naam: Vladimir Poetin.

Tegelijk werd in academische kringen de roep steeds luider om de archieven opnieuw te sluiten. Op zijn minst voor buitenlanders, zoals een vooraanstaand lid van de Russische Academie der Wetenschappen in februari 1998 in de krant Nezavisimaja Gazeta bepleitte. Deze historicus ergerde zich blauw aan zijn Westerse collega's, die zich bij hun speurwerk in Rusland door een ongezonde voorliefde lieten leiden: ,,In welke onderwerpen stellen zij belang? De hongersnood van de jaren dertig, de repressies, de Goelag, antisemitisme en nationalisme in Rusland... Niet bepaald thema's die onze geschiedenis objectief weerspiegelen.''

De academicus begreep heus wel waar dat aan lag: Westerse wetenschappers waren tijdens de Koude Oorlog niet onvrijer dan tegenwoordig; het kapitalisme dicteert nu eenmaal dat ze met anticommunistische, anti-Russische nieuwtjes moeten thuiskomen. Kortom, het was de hoogste tijd om de nieuwsgierige overzeese bezoekers weer te weren uit de archieven – ,,die toch ons nationale eigendom zijn''.

Achter de schermen werd daar werk van gemaakt. In 1998 was geldnood het enige wat het archiefwezen nog tot openheid noopte. Om kostbare collecties te redden van mot en vocht diende er cash op tafel te komen, en alleen Westerse instituten beschikten daarover. In ruil voor harde valuta eisten die toegang voor hun onderzoekers. Tegelijk schoten op leeszaalniveau de kopieer- en zoektarieven met sprongen omhoog, ter aanvulling van het schamele loon van de archivarissen.

Schokkende documenten kwamen voortaan alleen nog aan het licht als de steeds onvaster op zijn benen staande Jeltsin er op het wereldtoneel goede sier mee dacht te kunnen maken. Zo gaf hij zijn ,,vriend Bill'' vorig jaar de KGB-map van Kennedy-moordenaar Lee Harvey Oswald – gewoon als geste. Maar voor de rest zaten de archieven in de nadagen van Jeltsins presidentschap, toen er nog maar bar weinig over was van zijn democratische verworvenheden, alweer potdicht.

Toen Joeri Michailovitsj mij op een voorjaarsdag in 1999 belde stond ik dan ook perplex. Hij zei dat hij over een – beperkte – inventaris van de kast Holland beschikte, waaruit ik vrij kon bestellen. Ik, als ongelovige, beklom andermaal de trappen van het archief om de proef op de som te nemen. Uit de lijst van stukken vroeg ik een willekeurig rapport aan: een verslag dd 28 april 1968 van de Sovjet-ambassadeur in Nederland ,,over de studenten- en jeugdbeweging in Holland''. Voorzien van het stempel GEHEIM.

De zoekopdracht kostte een week, en naar later bleek: ook nog eens vijftig dollar. Tel daarbij op de kopieerkosten (27 velletjes à 1,8 dollar) en je zit op honderd dollar. Wat kreeg ik daarvoor? Ik hield de duurbetaalde tekst onder een van de leeslampjes en zag een opsomming van alle Nederlandse studentenverenigingen. Slechts her en der bood ambassadeur Lavrov een aardig doorkijkje. Bijvoorbeeld wanneer hij betoogt dat de Sovjet-propaganda haar pijlen beter kan richten op de Vrije Universiteit (,,een bastion van rechts, waar kinderen van ambtenaren en middelgrote en grote boeren studeren'') dan op de Gemeentelijke (,,die wordt al gezien als rood''). Wat de agitatie echter lastig maakt is ,,de zeer dunne arbeidslaag''. Studentenleiders, klaagt Lavrov, worden soms door hun ,,kleinburgerlijke afkomst'' aangezet tot politiek avonturisme. Neem voorzitter Cohen van de studentenraad van de hoofdstedelijke ASVA. Die haalt het in zijn hoofd om tijdens meetings ,,de vrijheid van schrijvers in de Sovjet-Unie'' te eisen.

,,Bent u van plan hieruit te publiceren?'' Joeri Michailovitsj was ongemerkt aan mijn bureau verschenen. ,,De citeer- en publicatierechten voor dit document bedragen 125 dollar.''

Ik zei dat ik daar vooralsnog van afzag. Was dit document wel zoveel geld waard? Hoe uniek was het eigenlijk? Een korte rondgang langs Nederlandse historici bracht me in contact met Gerrit Voerman van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen. Die had in 1994 in ditzelfde partijarchief onderzoek gedaan voor zijn boek-in-wording over Moskou en de CPN. Het verslag over de studentenbeweging bleek gewoon in zijn Groningse bureaula te liggen. ,,De Russen hebben je een sigaar uit de reeds geopende Hollandse doos gepresenteerd'', schreef hij in een e-mail.

Zelf had Voerman ook een poging gewaagd het Paul de Groot-dossier te pakken te krijgen – vergeefs. ,,We hebben de parel gezien'', constateerde hij eind vorig jaar, ,,maar de oester sluit zich weer.''

Met het aantreden van Vladimir Poetin in het Kremlin, zo is de verwachting, is het lot van de nog niet prijsgegeven Sovjet-geheimen bezegeld. De schattingen over het percentage archiefstukken uit de Sovjet-periode dat nog nooit het daglicht heeft gezien, lopen uiteen van negentig tot negenennegentig. De oogst van de openheid onder Jeltsin, hoe sensationeel ook, zou dus in de verre toekomst wel eens als magertjes beoordeeld kunnen worden.

In de eerste drie maanden met Poetin aan het roer doet zich de invloed van de inlichtingendienst, zijn alma mater, weer op talloze fronten gevoelen. In de media, in het zakenleven, bij de grenswacht, en zeker ook in de zijsteegjes van het Rode Plein. Niet alleen de centrale staatsarchieven in Moskou, ook de regionale in de uithoeken van Poetins rijk vallen een voor een ten prooi aan de nieuwe geslotenheid.

Een Russische reserve-kolonel uit Kaliningrad, die al jaren als vrijwilliger de plaatselijke archieven uitpluist op zoek naar sporen van verloren gewaande kunstschatten, heeft er deze maand de brui aan gegeven. ,,Er valt niet meer te werken'', is zijn ervaring. Een nieuwbenoemde archivaris had hem te verstaan gegeven dat bepaalde documenten die hij in 1996 veelvuldig had geraadpleegd, domweg niet bestonden.

Ruslands nieuwe president heeft zestien jaar van zijn actieve loopbaan als KGB-agent gewerkt. In Leningrad was hij betrokken bij het frustreren van meetings van dissidenten, en later in Oost-Duitsland rekruteerde hij plaatselijke informanten. Toen Jeltsin hem in 1998 tot hoofd van de FSB benoemde, legde hij kort daarop een krans bij het graf van zijn grote leermeester Joeri Andropov, die het als chef van de Russische geheime dienst (na de dood van Brezjnev) tot Kremlin-leider had geschopt.

Vladimir Poetin houdt er ahistorische meningen op na. In een vraaggesprek deze week verklapte Poetin dat hij zich zal omringen door oud-KGB'ers, ,,de enigen die te vertrouwen zijn''. Hoe omineus zijn uitlatingen ook klinken (of: hoezeer ze ook getuigen van een blinde vlek voor de Sovjet-onderdrukking), het blijft een raadsel wat Poetin met de hem toevertrouwde macht gaat doen. Dat de archieven op slot gaan, lijkt een uitgemaakte zaak, en daarmee is de window of opportunity voor historische gouddelvers voorbij. Maar of het tijdperk-Poetin autoritair en repressief zal blijken, hangt af van wat hij met de archieven gaat doen: sluit hij ze slechts, of wendt hij ze opnieuw aan om zijn 146 miljoen onderdanen in het gareel te houden.