Aan de voet van de Hekla

De weg van Selfoss naar de gletsjer Myrdalsjökull voert door een van de vruchtbaarste gebieden van IJsland. Hier is geen landvlucht, zoals elders in IJsland, waar vele boerderijen aan hun lot worden overgelaten. Bij helder zicht zie je de Westmaneilanden als een vloot van basalt uit zee oprijzen. Aan de horizon glinstert de witte kroon van de Hekla, IJslands bekendste vulkaan. Daar, in het groene land dat afdaalt naar de zee, bevindt zich het schouwtoneel van een van de beroemdste verhalen uit de oude IJslandse literatuur: `De saga van Njal'.

Eindelijk is er nu een Nederlandse vertaling van verschenen. In de handen van Marcel Otten, die al eerder de Edda – een bizarre verzameling goden- en heldenliederen – een nieuw jasje aantrok, is dit verhaal een schitterend leesavontuur geworden.

Vroeger gingen Nederlandse reizigers graag op het sagapad. Zo bezit ik een artikel van een zekere mejuffrouw Krijn die in 1927 een reisje naar IJsland ondernam. Hoewel zij zich geregeld ergerde aan de IJslanders, die zich `voortdurend overgaven aan het algemeen verspreide gebruik van snuiven en spuwen', was zij vol geestdrift over het literaire erfgoed van dit noordelijke land. Dat al die gewone mensen, waar de `fijne schaaf van de beschaving' nog overheen moest, hele stukken uit de saga's uit hun hoofd kenden, was voor haar een openbaring. Het kostte hun geen moeite de woorden te herhalen die de held Gunnar tegen zijn vrouw had gezegd toen zij weigerde een paar strengen van haar lange haar af te snijden voor zijn gebroken boogpees: `Iedereen wordt op zijn eigen manier beroemd. Ik zal het je niet nóg een keer vragen.'

Elke boer was in staat het portret van Gunnar te tekenen: `Hij was groot van gestalte en sterk, de flinkste man in de strijd. Hij sloeg zó snel met zijn zwaard dat men meende drie zwaarden tegelijk in de lucht te zien. Van alle mannen schoot hij het best met zijn boog en hij raakte alles waar hij op mikte. Hij sprong hoger dan zijn lengte in volle wapenrusting en niet minder ver achteruit dan vooruit. Hij kon zwemmen als een zeehond en het spel bestond niet waarin iemand met hem zou kunnen wedijveren.'

Het is geen wonder dat Gunnar gehakt maakt van zijn tegenstanders. Hij slaat ze doormidden en hakt in één houw beide benen af. Tegenover Gunnar staat zijn wijze, geleerde vriend Njal, die bovendien het tweede gezicht heeft. Toch is ook hij niet bij machte het noodlot te keren. De kwade geest in deze saga is Gunnars verbitterde vrouw Hallgerd. Haar twee vorige echtgenoten bezegelden hun lot nadat zij haar een klap hadden gegeven. Ook Gunnar zou die klap zwaar worden aangerekend.

In het dorpje Hvolsvöllur is nu een speciaal Njalmuseum ingericht. Naast spullen uit de vikingtijd, bevatten de vitrines vooral tekstgedeelten uit de saga. In het aangrenzende boerenland wordt zelfs een rondleiding gegeven langs enkele plaatsen die in dit verhaal een rol spelen. Juffrouw Krijn wilde die ook zien en huurde daarom een gids. Hij bracht haar naar een groene helling waarop nu een kerkje en boerderij staan. Een knecht wees `Heuveleinde' aan, waar Gunnar ooit woonde. Zij zag ook de plek waar Gunnar, nadat hij voor een wraakactie uit IJsland verbannen werd, met zijn paard ten val kwam. Toen hij omkeek, en de grazige weiden van zijn land in de zonneschijn zag liggen, keerde hij terug. Liever dood dan heimwee, besloot hij.

En zij bezocht Bergthors-terp, waar de boerderij van Njal in vlammen opging. Om een eind te maken aan alle bloedvergieten legt Njal de wapens neer; samen met zijn vrouw en zoons komt hij om in de brandende boerderij. Archeologische opgravingen hebben uitgewezen dat hier inderdaad in de elfde eeuw een brand heeft gewoed. Hetgeen bewijst dat er veel waars zit in de kroniek van de IJslandse familiesaga's.

In `De saga van Njal' is een kaartje opgenomen van de streek waar het drama zich afspeelt. Het aardige van Ottens vertaling is dat hij voor de IJslandse namen Nederlandse equivalenten heeft bedacht. Zo is de topografie van Zuid-IJsland verrijkt met woorden als Stroomheuvel, Grensvliet, Heuveleinde, Zandravijn en Trollenbos. Het zijn knusse namen die doen denken aan het kaartje van de Gouw, de woonplaats van de hobbits in J.R.R. Tolkiens `In de ban van de Ring'. Verder gaat elke vergelijking mank. De boeren in de Njalsaga zijn geen vredige hobbits, maar halve vikingen, die liever met de wapens kletteren dan de stal uitmesten.