Wasem die de woorden wisselt

Je kunt de dichter Kees Ouwens veel in de schoenen schuiven, maar niet dat hij uit is op een gemakkelijk succesje. Wat een woorddronken geraaskal, wat een schaamteloos cryptisch gestamel en wat een solipsistisch taalgeworstel spreekt er uit deze verzen. De charme van Koplands poëzie, het gewone woordgebruik van een Judith Herzberg, de cabareteske directheid van een Jules Deelder of de op podiumoptredens gerichte toegankelijkheid van jongere dichters zul je bij Ouwens nooit aantreffen. De poëzie van Kees Ouwens lezen betekent handen uit de mouwen en vingers in de oren – en als je niet oppast eindig je met je mouwen in je oren en de handen in het haar.

Hadden de vroegere gedichten van Ouwens nog vaak een aanknopingspunt in een concrete aanleiding, een coherent beeld of een herkenbare herinnering, de poëzie van de laatste vijftien jaar getuigt in wisselende zij het toenemende mate van een gesloten mentaal universum dat wordt verwoord in een particulier taalgebruik met vaak moeilijk navolgbare gevoeligheden. Dit mag wat abstract klinken, maar vergeleken met de abstractheid van Ouwens' taal is het concreter dan een bruine boterham met kaas.

In het gecursiveerde, en voor zijn doen grammaticaal bedaarde vers waarmee hij de middelste afdeling van Mythologieën opent, dicht hij bijvoorbeeld:

in de open lucht zoekt

de werkelijkheid een naam

voor wat is.

het is veel, maar ook alles.

er voorbij is er meer,

of van hetzelfde

zelfs van het verschillende,

maar volstaat het?

Ik denk het niet. En Ouwens meent ook niet dat het volstaat denk ik, alleen op een andere manier, om maar even door te filosoferen.

Laat me een ander voorbeeld geven van het hoge abstractiegehalte van deze dichtkunst, uit het dertiende gedicht van dezelfde afdeling: `niet door de werken, door de drijfveer, eenheid // ga te paard op de berg, heuvel // spreek mij aesthetisch aan, natuur, niet als natuur, lustplaats // ik heb, tempel, een rome er heen over gejaagd, melkweg // een keer nemen gaat, kruishout, mijn najagen (...)'.

Ook meer concrete termen als `rome', `paard', `melkweg' of `kruishout' zweven op de ijle hoogte van een wijsgerig getob dat maar moeilijk in kaart is te brengen: `verzoeken mag hij zich voor te komen, hemelwijd, // de overgang van het in zichzelf naar het door zichzelf, al het verscheidene –' dicht deze Hegel van de Nederlandse dichtkunst en daar gaan mijn handen het haar in. Moet ik het misschien niet willen begrijpen en het gewoon maar over me heen laten komen?

Je kunt zeggen dat deze gedichten je een ongemakkelijk gevoel geven en dat is een verdienste. Menig recensent heeft dit werk dan ook lovend besproken. Sommigen roemden het technische vakmanschap – echter zonder nadere uitleg. Anderen spraken van de humor bij Ouwens, zonder een grap te vermelden. Weer anderen gaven toe er geen snars van te begrijpen maar het toch heel bijzonder te vinden. Dat helpt een beetje, alleen, waarom is deze poëzie zo bijzonder?

Vast staat dat Ouwens een eigen taal, en daarmee een eigen universum oproept, een mij voorzover ik er in door kan dringen niet onsympathiek universum, vol van somberheid en tegenslag waaruit het leven nu eenmaal bestaat. Waar Ouwens dicht:

zo ik stikte haast zelf in de mij als

wereldomspannende,

door de afhandeling terug mijn bek in

gedrongen,

uitademing

herken ik met genoegen het venijnig pessimisme van Schopenhauer, een filosoof die in de vorige bundel van Ouwens, Van de verliezer & de lichtbron (1997), expliciet zijn partijtje meeblies. De benauwenis van de hier geciteerde regels doet nauwelijks onder voor wat de wijsgeer zelf eens schreef, namelijk dat elke ademhaling een snakken naar lucht is ten overstaan van de altijd aanwezige dood – die het ten slotte natuurlijk toch wint.

Eigenlijk is het hoge abstractieniveau, dat ontstaat omdat elk concreet woord vrijwel contextloos rondzweeft, merkwaardig voor deze poëzie. Want Ouwens is gefascineerd door de onontkoombaarheid van het eigen ik, het vast zitten in het eigen lichaam en het niet kunnen ontsnappen aan stemmingen, gedachten en aandoeningen waarin dat eigen ik zich heeft verstrikt. In deze bundel heet het bijvoorbeeld: `toen kon ik mij niet losmaken van mij zelf. / dat geketend lag aan mijn zintuigen, / aan wie mijn geest was verschuldigd.' Daar gaat een aanstekelijk soort beklemming van uit.

Waarom merk je dan niet hoe de schoen wringt en de huid zich schramt, terwijl de hele bundel vol staat met dit soort onplezierigheden? Bij Ouwens glijdt `de pels van mest uit de schouder', `jouw wasem wisselde mijn stoffen', hij heeft het over `wat wij weten / onder mijn voeten boven mijn hoofden naast mijn zijden', en `in de nacht heb ik mijn voeten gewassen, mijn enkels, / mijn scheenbeen, de rest.' Toch wil het maar niet concreet worden in deze efemere taalbouwsels. Neem de volgende regels:

ook ik was in arcadië, steeneik.

voor zich gewonnen heeft mij,

heemwei, dat, kalkrots.

zo, dat dons is zijn blad ter keerzijde, tastzin.

Ze verwijzen naar de klassieke regel et in arcadia ego, naar oud werk van Ouwens, wiens eerste bundel Arcadia heette, en des dichters jeugd en verleden bezong. Er is dus sprake van driedubbel heimwee, dat van de klassieke regel, dat naar de jeugd en dat naar het vroege werk. Dat heimwee zien we (mooi gevonden) terug in het woord `heemwei', dat rijmt op `steeneik' en `heeft mij', een rijmend trio waar nog het een en ander aan te analyseren valt. Maar vragen deze regels om zo'n uitleg? Raken ze je?

Van mij mag een dichter wel wat inspanning vergen van de lezer. Niet alles hoeft podiumklaar te worden opgedist. Er bestaat alleen een geheime deal tussen lezer en dichter, zo realiseerde ik me plots dankzij Ouwens: de lezer hoeft niet meer moeite te doen dan de dichter.

En aangezien deze dichter, blijkens de schaarse interviews, zijn hele leven ook in dienst stelt van dichtkunst, zal het de lezer niet licht vallen de diepten van deze poëzie te peilen, te vatten waarom het oud-avantgardistisch procédé van de dubbele punt aan het begin van een regel weer opduikt. Om nog te zwijgen van een hagelbui aan komma's of een regel als: `dit / alles (mij inbegrepen) = . tart elke beschrijver, / adelaarsogen'. Ik ga me hier niet vrolijk over maken want ik begrijp dat dat goedkoop is. Maar ik begin nu, weer bovenkomend uit deze bundel, te vermoeden wat me irriteert bij Ouwens. Het is naast zijn abstractheid de geforceerde vormgeving van typografie, overdadige woordinversie en algehele cryptogrammania.

Waarmee je deze dichter overigens niet moeiteloos kunt afserveren. Want Kees Ouwens' verstikkend taaleigen laat je niet snel los, en een enkel vers uit Mythologieën haalt het niveau van vroegere bundels. Bijvoorbeeld wanneer een beeld serieus wordt genomen als beeld, dus niet een `heuvelrug bij de hand' nemen terwijl `uit mijn mond zich een landtong ontrolde / als een spoor van ijzer in / een golf van erts, hoogovens en bovenleidingen', maar wel dit prachtige, dubbelzinnige beeld van een kus, dat laat zien wat Ouwens kan:

de botsing van de snijvlakken de mond

van de een, zich plaatsend over de mond

van de ander onder een hoek, op de

verzoening

haaks

Kees Ouwens: Mythologieën. Gedichten. Meulenhoff, 76 blz. ƒ34,90