Uit armoede geboren

Hoe ironisch. Waar Nina Brink, directeur en oprichter van World Online, afgelopen week miljardair werd als direct gevolg van het succes van het World Wide Web, daar is de uitvinder van datzelfde medium, de Brit Tim Berners-Lee, nooit een cent wijzer geworden van zijn geesteskind. Tim Berners-Lee is een goedmoedige, vriendelijke man maar er is weinig dat hem zo irriteert als de vraag waarom hij geen miljoenen op de bank heeft staan.

Dat mocht deze recensent uit eigen ervaring ondervinden tijdens een interview met hem voor Net Magazine twee jaar geleden. Als directeur van de non-profit organisatie het World Wide Web Consortium (W3C) hield Berners-Lee kantoor in een deprimerend flatgebouw op een uithoek van de campus van het Massachusetts Institute of Technology in Cambridge. Een benauwd kamertje zonder ramen, aan het plafond hing een tl-balk en de verf bladderde van de muren. ``Heb je mijn FAQ bekeken', was zijn eerste pinnige reactie op mijn vraag wat hij vond van al die ondernemers die dankzij zijn werk miljonair zijn geworden. ``Daar vind je het antwoord.' FAQ staat voor Frequently Asked Questions waarin, zoals de naam al verraadt, vaak gestelde vragen worden beantwoord zodat de auteur niet steeds dezelfde informatie hoeft op te lepelen. Na enig aandringen deed hij het onderwerp af met ``als het verdienen van veel geld je uitgangspunt is, dan zijn je keuzen in het leven nogal beperkt'.

In zijn boek Weaving the Web, The original design and ultimate destiny of the world wide web gaat Berners-Lee iets uitgebreider op dezelfde vraag in. Hij schrijft over `de vreselijke notie dat de waarde van een persoon afhangt van hoe belangrijk en financieel succesvol hij is, vind ik gekmakend. Dat suggereert minachting voor de onderzoekers die zich wijden aan het verder ontwikkelen van wetenschap en technologie.' Hij legt uit dat hij bewust niet voor het bedrijfsleven heeft gekozen, maar zijn leven juist in dienst heeft gesteld van zijn uitvinding: als directeur van het W3C probeert hij de ontwikkeling van het web in goede banen te leiden. Natuurlijk is dat lovenswaardig en het levert de mensheid meer op dan de zoveelste nietszeggende dotcom. Maar toch knaagt het ergens. Even verderop schrijft hij: ``Zo nu en dan is het frustrerend te bedenken wat mijn gezin met veel geld had kunnen doen.'

Anderzijds, eeuwige roem en glorie is ook wat waard. Nina Brink zal niet de geschiedenis in gaan als iemand die de wereld heeft veranderd. Dus daar heeft Berners-Lee in ieder geval een streepje voor. Maar wie denkt dat Berners-Lee een beroemdheid is geworden, vergist zich. Buiten het wereldje van de echte internetspecialisten is hij een onbekende.

Wellicht dat daaraan een einde komt met dit boek, dat omschreven kan worden als een combinatie van autobiografie, geschiedenisboek, technische handleiding en futuristisch manifest. Het valt te betwijfelen, want Berners-Lee mag dan een briljante techneut zijn, een begenadigd schrijver is hij niet. Hij is op het vervelende af bescheiden: uit ten treure benadrukt hij dat dank is verschuldigd aan vele mensen, over wie de lezer vervolgens zo goed als niets te weten komt. Hij is doodsbang zelfs de mensen aan wie hij een hekel heeft – Marc Andreessen, de oprichter van Netscape bijvoorbeeld, die er in de publieke opinie met Berners-Lee's uitvinding vandoor gaat – tegen de schenen te schoppen. En hij blinkt uit in vage, met jargon doorspekte verhandelingen over de toekomst van het web die de geïnteresseerde leek ver boven de pet gaan.

Toch is Weaving the web een interessant boek, met name uit historisch oogpunt. Berners-Lee documenteert hier voor het eerst nauwgezet hoe een van de belangrijkste uitvindingen van de laat-twintigste eeuw tot stand is gekomen. Het ontstaan van het web was een langzaam proces. Er was geen `Eureka moment'. Daarentegen legt hij uit dat hij als jongen al gefascineerd was door het idee `dat een stuk informatie slechts wordt bepaald door dat waaraan het is gerelateerd. Dat is betekenis: de structuur is alles. Het brein heeft geen kennis totdat verbindingen worden gemaakt tussen neuronen. Alles wat we weten, alles wat we zijn, komt van de manier waarop onze neuronen zijn verbonden.' Wanneer hij begin jaren tachtig als jonge natuurkundige werkzaam is bij het Europese elementaire-deeltjesfysica laboratorium CERN in Zwitserland zet hij dit idee voor het eerst om in een computerprogramma, Enquire, dat hij feitelijk voor eigen gebruik ontwerpt. Met het programma kan hij op zijn computer verbindingen maken tussen documenten en zodoende informatie beter terugvinden. Enquire belandt ergens in een la, maar eind jaren tachtig maakt Berners-Lee kennis met hypertext (de eerste ideeën over hypertext stammen uit 1945), waarmee je verschillende documenten met behulp van hyperlinks kunt verbinden. Hij begint opnieuw te denken over een methode om verschillende soorten informatie aan elkaar te koppelen. De oude hypertextsystemen hadden allemaal een groot nadeel: ze werkten slechts op lokale computersystemen. Een weg naar buiten was er niet. Vandaar zijn briljante plan: Internet en hypertext aan elkaar koppelen.

In de winter van 1990 schrijft Berners-Lee de technische specificaties die het World Wide Web zullen gaan bepalen en die inmiddels wereldberoemd zijn geworden: HTTP (hypertext transfer protocol), HTML (hypertext markup language) en UDI (uniform document indentifier, hetgeen later wordt omgedoopt in URL, oftwel uniform resource locator). Aanvankelijk wil hij het nieuwe systeem `Mine Of Information' noemen, maar de afkorting MOI vindt hij te egocentrisch. Vervolgens verzint hij de naam `The Information Mine', maar TIM is natuurlijk nog minder bescheiden. Uiteindelijk kiest hij voor `World Wide Web'. Berners-Lee ontwerpt overigens niet alleen de onderliggende basisstructuur van het Web, hij ontwikkelt ook 's werelds eerste webbrowser, een verdienste die vaak aan Marc Andreessen wordt toegeschreven.

Anders dan je wellicht zou verwachten is het web in eerste instantie beslist geen succes. Tevergeefs probeert Berners-Lee zijn CERN collega's te overtuigen van het nut van het web. Slechts pas wanneer het interne telefoonboek van het laboratorium - waar tienduizenden mensen aan zijn verbonden - op het web wordt gezet, begint men het systeem te gebruiken. Het balletje begint langzaam te rollen. Maar het web wordt pas echt een succes wanneer de student Marc Andreessen, in 1993 aan de Universiteit van Illinois de zeer gebruikersvriendelijke webbrowser Mosaic ontwikkelt. Andreessen probeert volgens Berners-Lee al snel het web het zijne te maken. Berners-Lee merkt fijntjes op dat volgens Andreessen iets niet op het web is, maar op Mosaic. Zijn uitvinding begint hem te ontglippen. En al kan hij er vrede mee hebben dat Andreessen met zijn Mosaic alle aandacht naar zich toetrekt, dat Andreessen in de media implicitiet ook als grondlegger van het web te boek komt te staan, gaat hem te ver. Hij krijgt weer enige greep op zijn geesteskind wanneer hij in 1994 wordt gevraagd het W3C te leiden, dat ervoor wil zorgen dat het web voor en van iedereen blijft en niet ten prooi valt aan commerciële belangen. Het is natuurlijk een functie die de diplomatieke Berners-Lee op het lijf is geschreven en die hij nog altijd bekleedt.

Tim Berners-Lee: Weaving the Web. The Original Design and Ultimate Destiny of the World Wide Web. Harper San Francisco,

240 blz. ƒ68,90