Triomf van het ik-tijdperk

Volgens Richard Sennett verliest de flexwerker elk vermogen tot langdurige loyaliteit. Hij kan zich niet hechten aan een baan, noch aan een woonplaats en kan zich uiteindelijk niet meer concentreren op het hier en nu.

Dit boek van Richard Sennett over de uitholling van ons karakter door de moderne arbeidsverhoudingen heeft na de Amerikaanse publicatie in korte tijd grote faam verworven. Onder de wat fletse titel De flexibele mens kwam het onlangs in Nederlandse vertaling uit. Het is in twee opzichten een alarmerend boek. Ten eerste handelt het over een ingrijpende verandering van het moderne bestaan. Ten tweede laat de auteur op menig punt een waarschuwend geluid horen. Dit boek zal ongetwijfeld nog veel discussie losmaken, óók over de vraag in hoeverre het om een vals alarm gaat.

Laat ik voorop stellen dat Sennett een belangrijk vraagstuk aan de orde stelt. Hij beschrijft de effecten van een flexibele arbeidsorganisatie op de houding van werknemers zowel binnen als buiten het bedrijf. Zij worden ertoe aangezet geen langdurende loyaliteiten aan te gaan, zich te concentreren op het hier en nu, veelvuldig van woonplaats en functie te verwisselen, niet te hechten aan een vaste baan, meer risico's te nemen dan voorheen, zich bij te scholen en soepel te functioneren in verschillende omgevingen. Een dergelijke houding staat echter haaks op de kwaliteiten die we met `karakter' in verband brengen. Karakter komt immers tot uiting in trouw en wederzijdse betrokkenheid, in het nastreven van doeleinden op langere termijn en het uitstellen van directe bevrediging ter wille van een toekomstig doel.

De vraag is derhalve of de karaktervorming wordt bedreigd door de eisen van een moderne economie. Het is Sennett vooral om het volgende te doen: `Hoe beslissen wij wat van blijvende waarde is in onszelf in een samenleving die ongeduldig is, die zich alleen op het moment richt? Hoe kan men doeleinden op lange termijn nastreven in een economie die het alleen om de korte termijn gaat? Hoe kan men wederzijdse trouw en betrokkenheid bewaren in instellingen die voortdurend uiteenvallen of opnieuw in elkaar worden gezet?' Het flexibiliseren van de arbeidsverhoudingen heeft in het bedrijfsleven zelf de nodige gevolgen. Zij tast onder meer het klassieke arbeidsethos aan. Waarom zouden werknemers zich hard en langdurig voor hun werkgever inspannen als deze alleen maar aan het reorganiseren of verkopen van de onderneming denkt?

Gezinsleven

Wat Sennett evenwel het meeste vreest zijn de gevolgen voor het gezinsleven. Het komt in de Verenigde Staten regelmatig voor dat de banen van man en vrouw nauwelijks te combineren zijn met een gezin. Doordat hun werkzaamheden naar plaats of tijd uiteenlopen en voortdurend wisselen kent het gezinsleven onvoldoende stabiliteit. Bovendien is er een tegenspraak tussen de kwaliteiten die ouders hun kinderen willen bijbrengen en hun eigen werkhouding. De opvoeding draait om deugden als betrokkenheid, betrouwbaarheid en denken op langere termijn terwijl het in de economie om oppervlakkige contacten en onmiddellijke resultaten gaat. De ernstigste gevolgen van flexibilisering liggen dus op moreel en affectief gebied. Zo haalt Sennett een werknemer aan die zakelijk weliswaar succesvol is maar ook beseft dat hij dit gedrag niet als ethisch model aan zijn kinderen kan voorhouden. Wie in zijn werk slaagt, bewijst nog niet dat hij een goed karakter heeft.

Aldus zou het hedendaagse kapitalisme een bedreiging vormen voor zijn eigen voorwaarden. Nu is dit geluid met enige regelmaat te horen in Amerika. Het boek van Sennett past in een traditie waartoe men ook The cultural contradictions of capitalism van Daniel Bell, The culture of narcissism van Cristopher Lasch of Amusing ourselves to death van Neil Postman kan rekenen. In deze werken klinkt een zeker cultuurpessimisme door, de overtuiging dat het met de samenleving de verkeerde kant uit gaat en het vergezicht uit de jaren zestig op een teleurstelling uitgelopen is.

Op enkele plaatsen spreekt Sennett dat met evenzovele woorden uit. Hij geeft aan dat veel van zijn linkse familieleden gedesillusioneerd raakten en dat zijn generatie de hoop van 1968 heeft moeten opgeven. Belangrijker is evenwel dat hij de maatschappelijke ontwikkeling nog altijd in termen van die tijd interpreteert. Een van zijn kritiekpunten op de flexibele arbeidsorganisatie is dat ze geen `echte' vrijheid heeft gebracht. Ze komt slechts op een nieuwe vorm van onderwerping neer. Verschillende keren vernemen we dat moderne arbeidsverhoudingen wel open en egalitair lijken, maar dat ze in werkelijkheid slechts een nieuwe machtsstructuur vormen. Uiteindelijk verkondigt Sennett dus een oude theorie, die wil dat de vrijheid van het kapitalisme op schijn berust en dat het in wezen om onderdrukking gaat. Het is dan ook geen wonder dat hij aan het einde van zijn boek een antwoord tracht te geven op de vraag op welke manier men de confrontatie met het nieuwe kapitalisme kan aanpakken.

Als we echter één ding sinds de jaren zestig geleerd hebben, dan is het wel dat dit soort `confrontaties' op niets uitlopen. Het heeft geen enkele zin om menselijke vrijheid `buiten' het kapitalisme te zoeken, zoals het geen zin heeft `buiten' het weer te willen wandelen. Pogingen om onderscheid te maken tussen schijn en wezen van de kapitalistische economie blijven wetenschappelijk zonder betekenis. Een dergelijk onderscheid wijst op sociale of morele verontwaardiging en die treffen we bij Sennett inderdaad aan.

Zelfontplooiing

Sennet keert zich vooral tegen managers die reorganiseren of personeel ontslaan om bij de aandeelhouders in het gevlei te komen: `Volkomen levensvatbare bedrijven worden uitgehold of opgeheven, bekwame medewerkers worden niet beloond maar de woestijn in gestuurd, enkel en alleen omdat de organisatie aan de markt moet laten zien dat zij in staat is te veranderen.' Hoewel het iedereen vrij staat een dergelijke flexibilisering te verwerpen, kunnen we daar wetenschappelijk gezien niet mee volstaan. Het vormt geen antwoord op de vraag wat er in het hedendaagse kapitalisme gaande is. Laat ik dit toespitsen op twee punten die in De flexibele mens onvoldoende aan bod komen.

Ten eerste: waar komt de overgang van een hiërarchische en bureaucratische naar een flexibele arbeidsorganisatie eigenlijk vandaan? Sennett noemt het belang van aandeelhouders en de wereldmarkt. Dat speelt ontegenzeggelijk een rol, maar historisch gezien is er ook iets anders aan de hand. Juist de sociale en culturele veranderingen uit de jaren zestig hebben verregaande invloed op het economisch leven gehad. Het was immers in die tijd dat er op ruime schaal verzet opstak tegen paternalistische en autoritaire verhoudingen. In plaats daarvan streefde men naar persoonlijke autonomie en egalitaire betrekkingen. Men kreeg ook aandacht voor de affectieve en communicatieve aspecten van het intermenselijk verkeer, terwijl de nadruk aanvankelijk op institutionele en technische aspecten lag. In feite kwam er een nieuwe, sterk liberale levenshouding tot ontwikkeling. Aanvankelijk paste deze niet bij de toenmalige bedrijfsvoering, maar in de loop van de jaren tachtig drong zij ook tot het economisch leven door. Vanaf dat moment duiken noties als zelfontplooiing, gelijkwaardigheid, openheid en communicatie in het denken over arbeidsorganisaties op. In die zin komt de culturele revolutie van de jaren zestig zeker niet op een mislukking neer. Zij vormt juist één van de elementen die voor succesvolle flexibilisering nodig zijn.

Dit houdt verband met het tweede punt. Behalve de voorgeschiedenis van de flexibele arbeidsorganisatie zou men ook de gevolgen heel anders kunnen interpreteren dan Sennett doet. Hij benadrukt het kortstondige en oppervlakkige karakter van de relaties in het bedrijfsleven. Maar soms erkent hij dat er ook voordelen aan verbonden zijn. De werknemers maken zich gemakkelijker los van de bestaande verhoudingen en zijn minder bevattelijk voor de intriges of ressentimenten die in het verleden wortelen. Het bestaan van levenslange persoonlijke banden staat vaak een nuchter oordeel over het eigen functioneren in de weg. Het gaat erom dat men voortdurend in beweging is, telkens nieuwe initiatieven neemt en zijn netwerk onderhoudt. Het impliceert dat de houding die vroeger kenmerkend voor de ondernemer was, in toenemende mate onder werknemers aangetroffen wordt. In die zin nemen zij hun lot meer dan voorheen in eigen hand. Zij dienen niet de risicoloze carrière uit die een bureaucratie uitgestippeld heeft maar zoeken zichzelf bijscholend en van baan wisselend een eigen weg.

Neomarxisme

In beide opzichten valt dus een minder pessimistische duiding van het moderne beroepsleven te bepleiten. Sennett houdt eigenlijk aan een neomarxistische interpretatie vast. Hij meent dat de hoofdarbeiders van nu hetzelfde overkomt als de handarbeiders van een eeuw geleden. Daarmee stapt hij over het specifieke van de huidige arbeidsorganisatie heen. Ik betwijfel of het lot van hoogopgeleide hoofdarbeiders die veelal in de dienstverlening werken vergelijkbaar is met het lot van de ongeschoolde arbeidskrachten die vroeger in fabrieken te werk gesteld werden. Dat is trouwens niet het enige punt waarop Sennetts neomarxisme ontoereikend is. Het geldt eveneens voor de gezinsproblemen die hij signaleert. Hoewel theoretici graag aannemen dat het gezinsleven in hoge mate door de economische ontwikkeling beïnvloed wordt, blijkt daar in empirisch onderzoek weinig van. Dat geldt althans voor Nederland, waar de gezinsopvoeding vooral wordt bepaald door culturele factoren (zoals opleiding of kwaliteit van relaties) en niet door economische omstandigheden. Wat dat betreft hanteert Sennett dus een nogal fictieve probleemstelling.

Ondanks – of wellicht dankzij – deze tekortkomingen biedt De flexibele mens veel treffende observaties en rake formuleringen. Wat dacht u van de volgende: `In een dynamische samenleving verschrompelen mensen die zich passief opstellen', `Wie niet gokt, aanvaardt bij voorbaat zijn eigen mislukking' of `Teamwork is vernederende oppervlakkigheid in groepsverband'? Verder geeft Sennett een scherpe typering van de alles-of-niets-economie waaraan hoog opgeleide arbeidskrachten onderhevig zijn, het wegvallen van ervaringskennis bij oudere werknemers, het moderne taboe op persoonlijke mislukkingen en de genezende werking van het eigen levensverhaal. Aan het einde van zijn boek lezen we de volgende hartekreet: `Ik heb van het bittere radicale verleden van mijn familie geleerd. Als er iets verandert, gebeurt dat eerder bij mensen die uit innerlijke noodzaak spreken dan door massale opstanden...'

Sennett zal die opmerking mede bedoeld hebben als een verantwoording voor zijn essay. Men hoeft het niet altijd met hem eens te zijn om te erkennen dat hij een wezenlijke kwestie aangesneden heeft. Tenslotte kan alleen de toekomst uitwijzen of zijn alarmsignaal terecht gegeven is.

Richard Sennett: De flexibele mens. Vertaald uit het Engels door Margaretha Blok.

Byblos, 192 blz. ƒ29,90