Stuurs onder een vishoedje

Op 24 april 1961 was de bassist die in het orkest van het reusachtige Olympia-theater moest spelen te laat. Op een groot filmscherm zag je dat hij vast zat in het Parijse verkeer. Een politieagent probeerde de autoknoop te ontwarren. Hij blies op een fluitje, gaf aanwijzingen en liep heen en weer op het toneel. De bassist keek vanaf zijn scherm met vragende armen naar de politieman: hoe raakte hij hier ooit nog uit?

Jour de fête à l'Olympia heette de show, die was samengesteld door de regisseur Jacques Tati (1908-1982). De opkomst van zijn alter ego monsieur Hulot was nog verwarrender. Je zag hem op het filmscherm, duidelijk op weg naar het theater, waar de bezoekers op hun populaire held wachtten. Plotseling stond Hulot op, achter in de zaal, hij was er al. Hij ging naar het toneel en even later liepen nog meer Hulots met verende tred langs de rijen. Ze droegen allemaal een lange broek met te korte pijpen, een tentregenjas en een vishoedje. Het handvat van een opgerolde paraplu zat bij elke Hulot over een arm.

De beschrijving van Jour de fête à l'Olympia komt uit Jacques Tati, de laatste biografie van de regisseur, geschreven door David Bellos, docent vergelijkende literatuurwetenschap aan de universiteit van Princeton. Hij publiceerde in 1993 A Life in Words, het levensverhaal van de Franse schrijver Georges Perec, en vertaalde La vie mode d'emploi en nog drie Perec-boeken in het Engels.

Mime

Stil, de avond in Olympia is nog niet afgelopen. Drie postbodes krijgen fietsles op het toneel om plaats te maken voor hun collega François op het filmscherm: de vertoning van Jour de fête (1947), de nieuwe versie van Tati's eerste avondvullende film, is begonnen. Tati wilde altijd weer iets in het verhaal over de door hem zelf gespeelde dorpspostbode verbeteren. Het achterlichtje van een fiets, een schietschijf, een vlag en andere rekwisieten waren, beeld voor beeld, in de zwartwitkopie met de hand ingekleurd.

In het Olympia-theater liet Tati zelfs de projectie van Jour de fête niet met rust. De verslaggever van France-Soir zag de bewoners van het dorp Sainte-Sévère uit de film komen. Ineens stonden ze op het toneel, vergezeld van een dierlijke bijrol, een levende geit. Kermis, film, variété, het publiek wist niet meer waar het aan toe was, zeker niet, toen Tati zelf, niet als François of Hulot, te midden van goochelaars, jongleur, fietsacrobaten en een fanfarekorps ook nog zijn Impressions sportives opvoerde. In het begin van de jaren dertig was hij al in Parijse nachtclubs met mime begonnen, nabootsingen van een doelman, een bokser, een tennisser. Ze waren door de Franse schrijfster Colette, als een van de eersten, geprezen.

Ten tijde van zijn Olympia-show was Jacques Tatischeff, de zoon van een Rus en een Nederlandse die samen een lijstenmakerij dreven, 53 jaar. Hij had nog meer aan de show willen toevoegen, verscheidene filmschermen bijvoorbeeld. Dan had het publiek zelf uit de daarop geprojecteerde beelden moeten kiezen. Tati dacht ook aan een aparte klanktafel om de geluidsband van de film nog tijdens de voorstelling te kunnen beïnvloeden.

De voorstelling in het Olympia-theater is de sleutelpassage van de biografie. Met Jour de fête en vooral Les vacances de monsieur Hulot (1953), de belevenissen van een groepje vakantiegangers, had hij zoveel succes dat hij zich elke nieuwe film kon veroorloven. Voor Mon oncle (1958), een jongen in de ban van een onhandig familielid, kreeg hij zelfs een Oscar. In de op het eerste gezicht simpele films gingen een paar dingen schuil die pas op de avond van Olympia onvermengd zichtbaar werden.

Al in Jour de fête kwam de handeling niet alleen voort uit de strapatsen van de hoofdrolspeler François. Ook enkele andere dorpsbewoners lieten zien hoe verraderlijk het eenvoudigste voorval kan zijn, denk aan de boer die voor het kermisfeest een hagelwit gestoomd jurkje bij de stomerij haalt. Hij heeft er niet aan gedacht dat hij het op zijn smerige wagen moet vervoeren. In Les Vacances kreeg de bijrol nog meer werk. De eigenaar van het hotel laat per ongeluk zijn pen in een aquarium vallen. Hij stroopt een mouw op, volgt met zijn ogen de onbetrouwbare Hulot en pakt ten slotte met de verkeerde arm de pen: hele mouw nat. Sommige scènes zijn zelfs documentair. Een kleine jongen draagt twee ijshoorns van het strand naar het hotel, zullen de bolletjes vallen?

In Olympia liet Tati met al die Hulots zien dat het met zijn hoofdrolspeler was gedaan. Hij mocht niet belangrijker dan het publiek zijn. In de zaal kon net zo goed iets opvallends gebeuren. Met de bijrollen in 't echt op het toneel maakte hij nog eens extra duidelijk hoe belangrijk de onvervalste werkelijkheid voor hem was. Op de niet uitgevoerde filmschermen hadden onbetekenende scènes moeten komen, de interpunctie van een gebeurtenis, niet de volle mep.

In Bellos' uiterst nauwkeurige boek gaat het weinig opzienbarende leven van Tati voortdurend over in zijn werk. Hij schetst Tati als iemand die zelden iets las, het tegendeel van wat wel een intellectueel wordt genoemd. Het moet een wat stuurse man zijn geweest. Hij vertrouwde zo goed als niemand. Het schrijven, de productie en de regie van zijn zes tussen 1947 en 1973 gemaakte films hield hij geheel in eigen hand. Na het succes van de twee Hulot-verhalen kreeg Tati lucratieve verzoeken, ook uit Hollywood, voor een grappig vervolg in de bioscoop of op tv, Hulot in Love of Mr. Hulot Goes West. Hij wees alles af. Langzaam rijpte bij hem het plan voor een grote film waarin hij al zijn bijna onmogelijke Olympia-gedachten wilde onderbrengen.

Dat werd Playtime (1967). De film duurt twee uur en twintig minuten en toch is het verhaal kort. Hulot zoekt in een glazen stad een man die hem aan een baantje kan helpen. Het tweede deel van de film speelt zich af in een net geopend restaurant. Enkele bezoekers ontmantelen voor hun eigen plezier een deel van het etablissement. Dat is alles. De rol van Hulot in deze geschiedenis is bescheiden. Je ziet hem bij elkaar misschien ruim een uur.

Kermispaarden

Tati zocht naar locaties voor zijn stad met glazen wolkenkrabbers. Geen enkele beviel hem. Toen besloot hij de stad te laten bouwen op een braak liggende vlakte ten zuidoosten van Parijs. Het kostte hem alles wat hij bezat, zijn huis en de rechten op zijn films. Al tijdens de productie van Playtime moet hij hebben gevreesd dat hij er failliet aan zou gaan. Er was geen weg terug meer. Hij zou drie jaar aan zijn droom werken. Daarna maakte hij nog Traffic (1971), over de gruwelen van het verkeer, en Parade (1973), een lofzang op het circus. Die twee films missen de ingenieuze brutaliteit van Playtime.

Het helderste voorbeeld dat Bellos van Tati's werkwijze in zijn meesterproef geeft, is de openingsscène. Je zou zeggen dat die zich afspeelt in de aankomsthal van een vliegveld, maar de ware aard van die locatie wordt uitgesteld. `Niets is meteen duidelijk in dit grote panorama', schrijft Bellos. Een man veegt de vloer. Verderop staan een paar mensen fluisterend met elkaar te praten. Een vrouw in het een of andere uniform draagt een wit pakketje, een baby misschien. Is het een ziekenhuis? Daar lopen een paar nonnen. Het kan ook een modern klooster zijn. Helemaal in de verte van deze gemiddelde ruimte zie je achter een raam de staart van een vliegtuig.

Tati maakte Playtime voor het grootst mogelijke doek; de film werd op zeventig millimeter gedraaid. De zijschermen van Olympia waren eindelijk in het totaalbeeld opgenomen. Geen enkele scène is te overzien. Binnen het kader wemelt het van de gebeurtenissen en daaruit moet de bezoeker een keuze maken. Dat heeft Tati de kop gekost. Met Playtime verloor hij zijn vaste publiek. Het kreeg nog wel afgeronde grappen als een verlichte bezem voor donkere hoekjes of een muzikale parkeermeter, die nadat de munt is gevallen het geluid van de film wijzigt, maar het had er niet op gerekend dat het eens bij het ontstaan van honderden voorvallen aanwezig mocht zijn.

Toch was het gewaarschuwd. In Les vacances veranderen de stappen van de hoteleigenaar die de trap afloopt in het geluid van een stuiterend pingpongballetje en in Jour de fête, bijna twintig jaar eerder gemaakt dan Playtime, slaan de paarden in de wei voor de houten kermispaarden op de vlucht.

David Bellos: Jacques Tati.

His Life and Art.

The Harvill Press, 382 blz. ƒ99,50