Shoppend door het leven

Sociologen en marketingdeskundigen stellen bij de huidige generatie twintigers een ontstellend gebrek aan maatschappelijk engagement vast. Als kinderen van de jaren tachtig zijn ze doordrenkt van de muziek en de nostalgie van Doe Maar. Toch is juist deze `pragmatische' generatie, inventief en ondernemend, als geen andere klaar voor een geprivatiseerde toekomst.

Zó pleeg je een generatiemoord: Op 1 november vorig jaar werd in Amsterdam een persconferentie gegeven onder patronage van een firma in mobiele telefoons. Achter de tafel zaten vier heren van rond de vijftig, voorbeelden van de variaties in fysiek verval en behoud die juist die leeftijdsgroep zo fascinerend maken: een gezicht dat al begint op te zwellen maar nog niet kogelrond is, haar dat grijs wordt maar nog niet wit, kale plekken waar nog een donsje overheen ligt en achter de leesbril jongensachtig twinkelende ogen. Jongens waren het, maar: oude jongens. De mededeling die ze deden was even voorspelbaar als onrustbarend: Doe Maar is terug. Maandag verschijnen twee nieuwe singles: Watje en Als niet Als. Over twee weken liggen de verzamelde liedteksten in de winkel, dan volgt de cd en de concertserie.

De comeback is niet onrustbarend voor de vier mannen zelf, maar wel symbolisch voor een jongere generatie Nederlanders, tussen de twintig en de dertig, de groep die destijds diep is beroerd door de beroemdste Nederlandse band aller tijden, die zelf bestond uit laatbloeiende babyboomers. De generatie Doe Maar-fans heeft juist de leeftijd – en door de rijkdom van de nieuwe economie ook het geld – om de strijd aan te binden met de ouderen in hun machtsposities, maar het zal er naar het zich laat aanzien niet snel van komen. De tocht naar de concerten in Ahoy', in mei en juni, lijkt een enkele reis naar maatschappelijke quarantaine. Wat een aanstormende generatie zou moeten zijn, lijkt veranderd in een welgesteld gezelschap dat zich verkneukelt bij muziek uit vervlogen tijden – en zich nog steeds aan de leiband laat voeren van hun ouders, de babyboomers.

Het afgelopen decennium is in Nederland een populaire `generatiesociologie' tot ontwikkeling gekomen, vanuit de verwachting dat de verdeling tussen leeftijdsgroepen en subculturen van generatiegenoten de rol zou overnemen van de vroegere verzuiling. De hoofdrollen daarin zijn, volgens een schema van de socioloog Henk Becker, weggelegd voor de `stille generatie' van vóór de oorlog, de `protestgeneratie' van babyboomers, de daaropvolgende `verloren generatie' en uiteindelijk de huidige twintigers en prille dertigers van de `pragmatische generatie'. Waarbij duidelijk wordt hoe centraal de plaats van de babyboomers is; de andere generaties verhouden zich nauwelijks tot elkaar, alleen tot de machtige vertegenwoordigers van de geboortegolf.

De eigen aard van de jongste groep, de `pragmatische generatie' (die in de loop der tijd ook wel, in gradaties van neerbuigendheid, is geduid als patatgeneratie, hapsnapgeneratie, zapgeneratie, xtc-generatie, generatie nix, backbenchers, stijlsurfers en apathische generatie) blijft doorgaans obscuur. Ze zijn ook niet zozeer het onderwerp van diepgravende studies, analyses of zelfbespiegelingen, alswel van marktonderzoek en reclamepeilingen, die regelmatig tot de slotsom voeren dat hun eigen aard erin bestaat dat ze geen eigen aard hebben, of het moet de vaardigheid zijn behendig in te spelen op wisselende omstandigheden.

De samenstellers van Het patatpantheon. De groepscultuur van een nieuwe generatie, een bundel interviews met tussen 1969 en 1976 geboren Nederlanders, vinden zelfs dat de groep zoveel uiteenlopende typen herbergt, dat het hele generatiebegrip maar beter bij het vuilnis gezet kan worden. Die wens gaat merkwaardig genoeg voorbij aan de inhoud van het boekje zelf, want de groep die daarin wordt beschreven vormt wel degelijk een eenheid. Hier staat een generatie die een groot zelfvertrouwen over de inrichting van het eigen leven combineert met een gevoel van overbodigheid als het gaat om de inrichting van de maatschapppij. Dat beeld schetst ook Jong!, de catalogus die onlangs verscheen bij de grote, aan jongerencultuur gewijde tentoonstellingen in het Rotterdams Historisch Museum en het Drents Museum in Assen. Een politieke overtuiging is voor deze jongeren hooguit onderdeel van een bepaalde stijl.

Juist dat levensgevoel, waarin alles vertaald wordt naar het eigen leven en bijgevolg de eigen belangen, kan volgens anderen een belangrijke rol gaan spelen in een volgende `generatie-oorlog'. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid voorspelt in het rapport Generatiebewust beleid dat die zal gaan om de pensioenen van de enorme golf vergrijzende babyboomers. Het WRR-rapport maakt duidelijk dat het er in de geesten van de `pragmatici' beter voorstaat met de `micro-solidariteit' dan met de `macro-solidariteit' zoals die zich uit in de Nederlandse sociale voorzieningen. Hun ouderenzorg lijkt er eerder één van bloemen brengen bij de eigen grootmoeder, dan van een zich inzetten voor collectieve instellingen. De AOW moet zeker blijven bestaan, zeggen de jongeren in het rapport stellig. Maar ze verwachten tegelijk dat de uitkeringen lager zullen worden.

Moeten de babyboomers, na bijna een kwart eeuw hegemonie, nu toch vrezen voor een aanval op hun machtspositie? Het patatpantheon, samengesteld door Naïma Azough, Hiske Dibbets en Kysia Hekster, toont eerder een nogal conflictschuwe generatie. In de inleiding maken de auteurs, die zelf ook tot de `pragmatische generatie' behoren, duidelijk dat zij in elk geval geen ouderwetse generatiestrijd verwachten: `Ondanks een gemeenschappelijk verleden (...) uiten ze zich niet op een gemeenschappelijke manier en laten ze zich dus ook niet zomaar als generatie definiëren. Van een conflict met de verlorenen of met de babyboomers lijkt ook al geen sprake. En zo onttrekken ze zich aan de klassieke opvattingen over wat een generatie hoort te zijn.'

In het boek valt dat dus wel mee. Over collectieve actie gaat het niet; de combinatie van een puberteit in tijden van massale werkloosheid en een aantreden op de arbeidsmarkt in tijden van hoogconjunctuur heeft de `pragmatici' naar een lange mars door het bedrijfsleven gedreven. Ze hebben gezien hoe de babyboomers er in hun maatschappelijke enthousiasme eerst toe kwamen dictatoriale linkse regimes de hand boven het hoofd te houden, vervolgens daarvoor diep door het stof moesten en de crossover naar het liberalisme maakten, en nu zonder enige vorm van morele autoriteit, maar even vanzelfsprekend, hun machtsposities verdedigen. Zo'n demasqué willen de jongeren niet meemaken en dus leggen zij zich politiek niet vast, behalve in de meest algemene en humanitaire termen, zoals die van Greenpeace en Amnesty.

De geïnterviewde jongeren gaan vooral `shoppend' door het leven. Ze verbinden zich niet voor eens en altijd aan een religieuze overtuiging, politieke partij of kledingstijl. De enige in dit boekje met een werkelijk onveranderlijke ideologische basis is de verstokte Feyenoordsupporter. Het beeld is dat van een vooral op zichzelf en de eigen directe omgeving betrokken groep. Gevraagd naar hun helden komen de jongeren met vader, moeder, grootmoeder, `mensen die sterk genoeg zijn om zich zwak op te stellen'. De pragmatici zelf zijn, afgezien van wat onhandige eetgewoonten (vegetarisme, veganisme) vriendelijke mensen. Maar voor de buitenwereld zijn ze op hun hoede: de hacker wil niet met zijn naam in het boekje: ``Dan gaan mensen me weer bellen en onzinnige vragen stellen.' Als de voorzitter van de Jonge Democraten wordt gevraagd wat hij wil, zegt hij dat hij wel weer iets vaker dronken zou willen zijn. ``Dat wens ik, in figuurlijke zin, eigenlijk de hele politiek ook wel toe.'

Een oude leus is zodoende omgedraaid: het politieke is persoonlijk geworden, waarmee het prompt belandt in de sfeer van persoonlijke verantwoording. Een privézaak, niet iets waarmee je anderen moet lastig vallen. Ben je tegen de bio-industrie? Stop dan met vlees eten en je bent van het probleem af: een beter milieu begint niet alleen bij jezelf, het eindigt er ook.

Een verklaring van deze ongebonden levensstijl wordt in Het patatpantheon niet echt gegeven. De antipolitieke houding komt behalve uit angst voor politieke vergissingen zoals de babyboomers die maakten, voort uit economische voorspoed. Nog nooit was er een Nederlandse generatie die zo snel zo veel miljonairs opleverde: het zegt iets over de conjunctuur, maar ook over de intelligentie, inventiviteit en wendbaarheid van deze jongeren: dat is de positieve kant van hun pragmatisme. De babyboomers hebben hun maatschappelijke voorsprong dankzij de economische groei van de afgelopen jaren, opnieuw kunnen vergroten, maar de twintigers waren de eerste computergeneratie. Hun succes bestaat niet in een geslaagde aanval op de structuren waarin de babyboomers de scepter zwaaien, maar juist in het feit dat ze die structuren links laten liggen. Zoals de jonge computerondernemers de oude economie negeren: met alleen een pc en een modem stichten ze bedrijven die voordat ze quitte spelen, al voor miljoenen verkocht kunnen worden. Ze profiteren optmaal van de commerciële anarchie van het world wide web. Het gaat de modale twintigers uitstekend; ze trouwen en masse, kopen huizen, hebben lol, en bemoeien zich niet met politiek.

In Jong! zijn de hoofdpersonen net wat jonger en dus nog geen miljonair, maar ook hier, in het aan de `pragmatici' gewijde deel, zijn de wereldverbeteraars afwezig. Gabbers, alto`s, straight-edgers, skaters en clubhousers worden beschreven in korte hoofdstukjes, die in het niet vallen bij de lange lappen analyse waarmee hippies, provo's, soulkikkers en kuiven worden geduid. Er spreekt ook hier weinig maatschappelijk elan uit de jongeren: de verschillende groepen housefans houden zich meer bezig met hun particuliere roes dan met die van de grote maatschappij. Skaters vertonen weliswaar hun kunsten in het openbaar, maar hun bemoeienis met de maatschappij gaat niet verder dan de kwaliteit van de van overheidswege ter beschikking gestelde halfpipe.

Het restje rebellie zou moeten komen van twee andere splintergroepen: de straight-edgers en de alto's. De eersten, voortgekomen uit een serieuze zijtak van de punkbeweging, zijn principieel saai. Ze onderscheiden zich doordat ze niet roken, niet drinken, geen vlees eten en een hekel hebben aan (vrije) seks. `De hoofdzaak is dat je een positief leven leidt voor jezelf en dat ook uitstraalt naar anderen.' Soms gaat het een stapje verder, zoals bij die straight-edgers die zich melden bij het Dierenbevrijdingsfront. Maar aan het echte wereldverbeteren hebben ook zij een broertje dood.

De groep die in Jong! wordt aangeduid als de alto's wekte lange tijd in ieder geval uiterlijk de indruk van politiek engagement: in hun wat `vale en armoedige' uitmonstering sprong één element in het oog: de haast onmisbare Palestijnensjaal, zonder dat die gepaard ging met veel belangstelling voor het Midden-Oosten. `Onderling wordt er bij het blowen veel gepraat, over muziek, de dood, doodgaan en dood willen en over de maatschappij die niet deugt. Alto's zijn echter vrij passief en zeker geen wereldverbeteraars. De dominante stemming is pessimistisch, cynisch en depressief. (...) Velen willen iets creatiefs of artistieks gaan doen, maar een echte blik op de toekomst, zowel van de eigen persoon als van de maatschappij, ontbreekt.'

Zo is Jong! vrij snel uitgepraat over de jongeren van de laatste jaren: verreweg het grootste deel van het tamelijk wild vormgegeven en in een soms storende socio-babbeltoon geschreven boek gaat over de jongerenculturen in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Waarbij vooral de hoofdstukken over de oudste generaties, zoals de jaren-vijftig kuiven met hun beginnende tegendraadsheid, heel aardig zijn.

Niet alle `pragmatici' hebben zich bij dat oordeel van hun oudere broers en zussen neergelegd. In de politieke arena zelf hebben zich enkele pragmatici gewaagd, maar vooralsnog zonder veel succes. Aan de wieg van de PvdA-`vernieuwingsbeweging' Niet Nix (andere woordspelig naamgegeven clubjes als `Opschudding', `LEF' en de `Rooie Dozen' speelden nooit een rol van betekenis) verklaarden oprichters Lennart Booij en Erik van Bruggen, geheel in de geest van hun generatie, dat ze weliswaar uit waren op invloed, maar niet op macht. Niet Nix was `verliefd' op de PvdA, aldus het duo, dat tevergeefs een gooi deed naar het partijvoorzitterschap. Hun kandidatuur maakte voor één keer de generatiekwestie helder langs iets van frontlijnen: ze kregen steun van de gevestigde elite van babyboomers in de partij, maar werden verslagen door het hardwerkende middenkader, gerecruteerd uit de leden van de `verloren generatie' die nu hun kans schoon zagen eindelijk hún stem te laten horen. In een opiniestuk in de Volkskrant laakten Kysia Hekster en Ingelise de Jongste teleurgesteld de jongerenfobie van de Partij van de Arbeid. Bindende elementen van hun generatie waren voor hen antikernwapendemonstraties, de val van de muur, het schrijven van brieven aan de VPRO-rubriek Achterwerk en, uiteraard, de liedjes van Doe Maar.

Wat leren die precies over de mentale architectuur van deze generatie? Dat is binnenkort na te gaan aan de hand van de volledige teksten van Doe Maar, die in april onder de titel Dit is alles verschijnen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, maar nu al op Internet staan (www.giga.nl/walter/archief). Niet alleen heeft de pragmatische generatie vormgegeven aan de vijf jaar massahysterie rondom Doe Maar, ze heeft vervolgens ook het eigen leven ingericht op basis van het wereldbeeld dat uit de Doe Maar-songs spreekt. Dat is samen te vatten als een zich jong manifesterende angst voor de midlifecrisis (Is dit alles?), verwarring over de rol van de man (Macho), acceptatie van softdrugs (Nederwiet), categorische afwijzing van harddrugs (Heroïne), een vroeg met de mantel der liefde bedekt generatieconflict (Pa), een onbekommerde omgang met liefde en seks op jonge leeftijd (Belle Hélène) en de altijd weer terugkerende verliefdheid, ook als je het niet meer verwacht (32 jaar, Smoorverliefd). Het zijn thema's uit de persoonlijke sfeer: Doe Maar droeg nog wel de fysieke sporen van de jaren zeventig, maar de opstandigheid is hier niet langer bedreigend voor de heersende orde: de veiligheidsspeld is bij Henny Vrienten voor het eerst een symbool van lifestyle: niet van opstand.

De eerste nummer één hit van Doe Maar, en het lied waarmee de groep de laatste stap naar de welhaast absurdistische populariteit van de jaren 1982-1984 zette, maakt nog het meeste duidelijk over de wereld waarin de pragmatische generatie opgroeide: De dreiging van kernwapens en de weer geïntensiveerde Koude Oorlog is alomtegenwoordig maar de zanger van het lied ziet de atoomdreiging slechts als een reden om zich in zijn persoonlijke levenswereld terug te trekken (en bij de dag te leven): En als de bom valt/ Dan lig ik in m'n nette pak / Diploma's en m'n cheques op zak / Mijn polis en mijn woordenschat, / Onder de flatgebouwen van de stad naast jou / Laat maar vallen dan / Het komt er toch wel van / Het geeft niet of je rent / 'k Heb jou nooit gekend / 'k Wil weten wie jij bent.

Het antwoord op de bedreigingen van buiten is een vlucht naar het onbekende meisje. Het inzicht dat de vallende bommen zich tóch niet laten verjagen, werd gecombineerd met eenvoudige romantiek en een verlangen naar liefde: waar loopt toch het meisje van mijn dromen rond? En hoe zal ze eruit zien? Uiteindelijk kiest Doe Maar, en in het spoor van de band de fans, voor de verbeelding. Maar in tegenstelling tot eind jaren zestig richt die zich niet meer op de macht, maar op persoonlijk geluk.

Daarmee win je de oorlog niet, zo ondervonden de Niet Nixers in hun vergeefse poging de romantische levensvisie van Doe Maar in de politieke praktijk te brengen. Verliefd op de PvdA, maar een blauwtje gelopen. Een halfjaar later was de beweging opgeheven: de Niet-Nixers richten zich weer op hun persoonlijke loopbanen. Slag verloren, oorlog voorbij.

Maar doet die oorlog er nog toe? Toen het generatie-rapport van de WRR verscheen, wisten de babyboomers niet hoe snel ze de makers moesten weghonen: Een generatie-oorlog? Dan hadden ze daar toch wel iets van moeten merken. Het is een logische reactie voor een generatie die zich in de politiek al decennia lang de jongeren van het lijf weet te houden en dus geen mogelijke tegenstand meer ziet. En zich niet realiseert dat het slagveld wordt verplaatst. De staat heeft zich straks zo ver uit de maatschappij teruggetrokken dat een politieke machtspositie er niet zo veel meer toe doet.

De `verloren generatie' heeft jarenlang vergeefs geprobeerd de plaatsen van de babyboomers in de politieke en maatschappelijke structuren over te nemen. De `pragmatische generatie' heeft die gelaten voor wat ze zijn en gekozen voor de verbeelding in het eigen leven, als vrijplaats waar niemand zich met hen bemoeide. Door de digitale revolutie, bleek er juist vanuit de woonkamer met de personal computer grote rijkdom onder handbereik te liggen. In de marge van de door de ouderen gedomineerde structuur zijn de pragmatici rijk geworden en hebben ze zich verbonden aan een `geprivatiseerde' visie op de wereld. Daarin besluiten ze op basis van een eigen kosten-batenanalyse wat ze doen met de eigen rijkdom. En waarin ze gewend zijn aan een wereld waarin mensen voor zichzelf kunnen zorgen.

Half april verschijnt bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar: Ernst Jansz en Henny Vrienten: Dit is alles. De teksten van Doe Maar en andere stukken.

Kitty de Leeuw, Sjouk Hoitsma, Ingrid de Jager, Peter Schonewille, (red.): Jong! Jongerencultuur en stijl in Nederland 1950-2000.

Waanders, 607 blz. ƒ49,50

Naïma Azough, Hiske Dibbets en Kysia Hekster: Het patatpantheon. De groepscultuur van een nieuwe generatie.

Bert Bakker, 158 blz. ƒ31,95

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: Generatiebewust Beleid.

Sdu, 386 blz. ƒ89,50