Problemen onder de pet

De Nederlandse politie is aardig uit haar traditionele schulp gekropen. De korpschefs moesten dit jaar zelfs ministerieel op de vingers worden getikt voor hun wel zeer uitbundige nieuwjaarstoespraken. Er zijn leerstoelen in politiestudies, er verschijnen dikke dissertaties en er is een ware explosie van beleidsanalyses, studies en rapporten. Toch vertoont het beeld van de politie enkele opmerkelijke witte plekken, zo blijkt uit de dikke overzichtsbundel Politie, over werking en organisatie van de politie, die is verschenen onder redactie van een drietal godfathers van de politiewetenschap.

`Als er een relatie zou zijn tussen het aantal publicaties en maatschappelijk belang dan is het uitermate slecht gesteld met de positie van de politievakbonden', noteren Cachet, van de Erasmusuniversiteit, en Van der Ven, van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. `De literatuur over de beroepscultuur is verouderd en teveel getint door Amerikaanse voorbeelden', luidt de slotsom van het daaropvolgende hoofdstuk van Punch (thans gasthoogleraar), Tieleman (nog net even korpschef Zuid-Holland-Zuid) en Van den Berg (hoofd beleidsondersteuning bij hetzelfde korps).

Beide lacunes betreffen een thema dat van kardinaal belang is voor het functioneren van de politie: de politie als subcultuur. In Nederland willen wij `een burgerlijke politie voor een burgerlijke samenleving', noteren Punch c.s. Dat is minder vanzelfsprekend dan het wellicht lijkt. De politie is wel getypeerd als een geïsoleerde en in zichzelf gekeerde stam met eigen rituelen. In de vakliteratuur ligt de nadruk bijna altijd op wantrouwen, geheimhouding en onderlinge solidariteit. Hermandad betekent `broederschap'.

Hoe kan het ook anders? `Iedereen liegt tegen ons: criminelen, slachtoffers, getuigen', zegt een echte diender in een Amerikaanse studie uit 1991, `het gaat zo ver dat je op een partijtje komt en iemand tegen je praat en je denkt: wat wil hij van me, wat zit hier achter? Je kan de knop niet meer omzetten'. Dit oestereffect maakt bijvoorbeeld een goede klachtenbehandeling niet eenvoudig. Maar liefst 63 procent van de klagers zei in een evaluatie dat hun vertrouwen in de politie sterk was afgenomen door de wijze waarop de klachten werden behandeld. `Zorgwekkend', vinden de Amsterdamse hoogleraren Naeyé en Schalken in hun beschouwing over klachtenregelingen.

Het oestereffect werkt niet alleen naar buiten – de burgerij – maar ook intern. De diender op straat ziet de korpsleiding van oudsher bijna als een vreemde mogendheid. Dat gevoelen lijkt wederzijds. Een klassieke typering van politiechefs luidt `overlevers in goudgalon'. De bijbehorende stijl van leidinggeven placht navenant defensief te zijn. Wellicht is dat nog steeds het geval, afgaande op een agent die wordt geciteerd in het hoofdstuk Informatie en communicatie: `Als leidinggevenden en andere klojo's het over integriteit hebben, bedoelen ze altijd ónze integriteit; nooit die van hen'.

In het moderne politiebedrijf lopen managers rond die een moderne leiderschapsstijl prediken. Daarachter gaat een ingewikkelde werkelijkheid schuil, noteren Rosenthal (crisisonderzoeker) en Lutken (korpschef Rotterdam) droogjes. De auteurs beschrijven een aantal dilemma's van het moderne politiemanagement. Belangrijk daarbij is vooral de verhouding met het bevoegd gezag: het binnenlands bestuur en de justitie. Deze relatie staat onder druk; de auteurs spreken nog net niet van een structurele overvraging van de politie. Ook deze verhouding staat trouwens toch weer in de sleutel van de subcultuur. Niet alleen voor de street cops maar ook voor de policy cops en de management cops geldt volgens de auteurs dat `zij het in de publieke verbeelding alleen redden wanneer zij zich weinig aantrekken van wat hun politieke en bestuurlijke bazen hen opdragen'.

In deze conclusie is de subcultuur niet zozeer het product van afscherming en navelstaarderij maar veeleer van public relations. Dat is typerend voor het moderne politiewerk, zie de genoemde nieuwjaarstoespraken. De politie heeft natuurlijk altijd naar bondgenoten in de samenleving gezocht. Het is van belang dat dit wisselende coalities blijven. Het is gevaarlijk wanneer het vaste patronen worden, want dat betekent dat bepaalde (minderheids)groepen in het verdomhoekje terecht komen, en in een spiraal van isolement en geweld.

Politie, Studies over haar werking en organisatie biedt een breed panorama over het functioneren van een organisatie die bij uitstek in de maatschappelijke vuurlinie opereert. Rosenthal en Lutken waarschuwen wel dat men zich niet blind moet staren op wat zij noemen de `heroïsche verbeelding' van het politiewerk: de spectaculaire incidenten of het optreden in probleembuurten die in het brandpunt van de belangstelling staan. Dit zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. En die regel is dat het politiewerk veel saaier en routinematiger is dan de berichtgeving wil doen geloven. Het grote gevaar is volgens de auteurs veeleer dat van de afstomping.

Het boek houdt het niet bij de reguliere politie maar bevat ook een hoofdstuk over de toenemende privatisering van de politiefunctie. Dit is alleszins gerechtvaardigd, gezien de toenemende wisselwerking tussen particuliere veiligheidsdiensten en de politie. Dat roept de vraag op of het publieke veiligheidsbestel, dat bepaalde garanties voor de burgers bevat, niet wordt ondergraven door het particulier initiatief. Het is in dit verband opmerkelijk dat de bijzondere opsporingsdiensten, zoals de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), er bekaaid afkomen. Dat zijn weliswaar overheidsdiensten maar ze hebben een eigen speelruimte.

Gezien de veelvoud van belangen die gemoeid zijn met de politiefunctie wekt het weinig verwondering dat de politie door de tijden heen inzet is van een spreekwoordelijke `stammenstrijd' in de Haagse regionen. Deze is formeel beslecht door vorming van het nieuwe regionale politiebestel in 1994. Dit nieuwe bestel leidt op zijn beurt echter tot touwtrekken tussen de regionale politieorganen en de minister van Binnenlandse Zaken, die zich steeds meer ontpopt als de centrale regisseur voor het politiebeleid.

En de politiebonden? Die komen uit het boek naar voren als een factor van betekenis, bolwerken van een speciale rechtspositie. Hoewel Cachet en Van der Ven daar niet al te lastig over doen, vormen veel regelingen een hinderpaal voor een doelgerichte inzet van de politie. De organisatiegraad bij de politie is van oudsher hoog. Van belang is dat dit ook geldt voor het kader. Een belangrijke verklaring is ongetwijfeld de behoefte aan gezamenlijke afweer tegen een als bedreigend ervaren buitenwereld. Opnieuw: de subcultuur. De sterke positie van de bonden wordt door de auteurs mede in het perspectief geplaatst van een `vertraagde emancipatie van het politiepersoneel'.

Dit laatste leidt tot een interessante stelling: nu politiewerk een normaler beroep wordt, zal ook de rol van de bonden normaliseren. De auteurs leggen het omslagpunt bij de grote reorganisatie van 1994, toen het hele politiebestel op de schop ging. Maar ze tekenen zelf aan dat deze operatie de bonden een `aanzienlijke invloed' heeft verschaft. In een aantal gevallen is de reorganisatie gewoon afgekocht, constateerde een officiële commissie.

En het blijft niet bij het loonplaatje. Veel vakbondsvertegenwoordigers vinden dat zij ook mogen meepraten over vakinhoudelijke vragen, zoals het al dan niet intensiveren van bepaalde politiecontroles. U hoort nog van bondsvoorzitter Van Duijn en zijn mensen.

C.J.C.F. Fijnaut, E.R. Muller en U. Rosenthal (red.): Politie. Studies over haar werking en organisatie. Samsom, 674 blz. ƒ99,-